Legendes dunnen uit, jazz blijft vernieuwen

Naast knallende popnamen bood North Sea Jazz ook genoeg moois voor de echte jazzliefhebber, zoals een eerbetoon aan Miles Davis.

Nederland, Rotterdam, 09-07-2011. Concert van Trombone Shorty op North Sea Jazz 2011 in het Rotterdamse Ahoy. Foto: Andreas Terlaak Andreas Terlaak

Bijna is het Toots-jaar en wordt zijn negentigste verjaardag uitbundig gevierd. Nu zat de ‘lieve opa’ van de jazzgemeenschap gewoon weer op zijn kruk als altijd, bijna de oudste musicus van het North Sea Jazz Festival: Toots Thielemans. Een kleine grijze baas met een dikke zwarte bril met oranje glazen, het geliefde ‘broodje’ – de mondharmonica – in de hand.

Nog altijd reist hij de wereld over. De laatste tijd, op de podia en televisie ontroert hij. Hij kan het nog, denk je onwillekeurig. Net die ene noot raak, dat wijsje precies recht tot het hart. In de Amazon-zaal op North Sea Jazz kondigde hij de ballade The Dolphin aan met de volgende woorden: ,,I have a great brok in my heart for Brasilian music.” Hij speelde gedreven. Zacht. Melodieus. Niet altijd even accuraat, maar met de steun van zijn trio vakmannen kreeg elk liedje een krulletje. Niet hemelbestormend of avontuurlijk, maar het was nooit te weinig.

Legendes zoals hij dunnen uit – een ontegenzeglijk gegeven in de jazz. Maar de populariteit van muziek met grote vernieuwingsdrang is op North Sea Jazz nog altijd het meest te merken. Nog nooit ontving het festival in Ahoy zoveel mensen. Naast de zeventigduizend reguliere bezoekers over drie dagen, gingen er negenduizend extra bezoekers naar de drie nachtconcerten van rasmuzikant Prince.

Wat opviel was de verbeterde logistiek op het grote festival. Er waren nu nauwelijks knooppunten in de zich immer voorbewegende mensenstroom van podium naar podium. Nieuwe indelingen voor zalen met betere zichtlijnen verhoogden de pret, en maakten de inlevering van podia nauwelijks een gemis. Als vanouds was het druk op de pleinen met de talloze eettentjes. Op het dak bij (jazz)deejays als Giel Beelen en Jules Deelder, die de microfoon greep voor een onvervalst potje Rotterdamse humor, heerste een lounge-sfeer met borrelaars voor wie concertbezoek duidelijk minder prioriteit had.

Het mag zo lijken naast alle knallende popnamen van dit jaar, maar er was zeker niet te weinig jazz. Musici uit alle geledingen traden voor het voetlicht van de dertien zalen: klein en lekker experimenterend (Chris Lightcap, The Ambush Party), subtiel (Portico Quartet), feestelijk voor de gelegenheid (Roy Ayers met Pete Rock), warmbloedig (Adriana Calcanhotto), filmisch (Hidden Orchestra) en wellustig dwars (Most Other People Do The Killing). Naast traditioneel en de nodige terugblikken klonk ook echt urgente jazz. De vernieuwende fusies met elektronica bijvoorbeeld in de Darling-zaal. Vooral de scherp geslepen beats van Flying Lotus kwamen aan. Ze werden ter plekke ingekleurd door een drummer en toetsenist; het leverde een onverwacht echt opwindende draaikolk van nieuwe jazz op.

Jong talent van eigen bodem als Kris Berry, Jungle By Night en het Nationaal Jeugd Jazz Orkest overtuigden op het buitenpodium. Mooi ook om te horen hoe de muziek van ooit veelbelovende debutanten als pianist Gerald Clayton en saxofonist Tineke Postma nu gerijpt klonk.

Strijdlustig trok de 25-jarige Amerikaanse trombonist Troy ‘Trombone Shorty’ Andrews met zijn stoer vinnige halen strakke lijnen in de lucht. Met repertoire van Louis Armstrong, met lef naar deze tijd gebracht, was hij een van de ontdekkingen dit festival. Ook de Noor Arve Henriksen liet zien waarom hij de winnaar is van de jaarlijkse Paul Acket Award met spannende, intense improvisaties op trompet tegen de rauwe ritmes van de percussionist Ingar Zach en sample-maker Jan Bang.

De Amerikaans/Indiase altsaxofonist Rudresh Mahanthappa deelde dit weekend de carte blache-eer met Kyteman. Een van de interessantste optredens in zijn drieluik was dat van zijn new fusion-groep Samdhi, waarin complexe melodische en ritmische elementen van zowel Zuid-Indiase muziek als de traditionele jazz inventief gecombineerd werden.

Zinnenstrelende vocalen klonken van de drie zangmeesters Jon Hen-dricks, Al Jarreau en Kurt Elling; ze etaleerden de ware kunst van jazz-zang. Nog meer stemmen kleurden het festival: een prachtig meeslepende Gregory Porter, wat gepijnigde klanken van Madeleine Peyroux tot de buigzame klanken en knap timing-gegoochel van Fay Claassen.

Raspaard Pharaoh Sanders kon zich twee keer op zijn sax laten horen. Hij stoorde zich echter dusdanig aan zijn trio met pianist Robert Glasper dat hij nadrukkelijk bij solo’s wegliep of ging zitten. De opgetrommelde pianist Mulgrew Miller en zijn band voegden zich meer naar de wensen van de eigenzinnige saxofonist bij het tweede concert.

Uitkijken was het naar het prestigeproject van Herbie Hancock, Wayne Shorter en Marcus Miller, een eerbetoon aan de twintig jaar geleden gestorven Miles Davis. Het grootste probleem waar de musici voor stonden was de vraag: hoe kijk je terug en betoon je respect aan iemand die niet van achterom kijken hield?

Het werd een wat afwijkend abstract maar fascinerend concert, waarin Davis-citaten slim werden verwerkt in door Miller aangevoerde improvisaties. Het blazersloopje uit Milesstones, frases uit de elektrische Tutu-tijd, waarin Hancock zijn lust voor soundeffecten kon botvieren. De jonge trompettist Sean Jones stond voor de moeilijke taak de rol van Miles in te vullen. Dat deed hij bekwaam, vooral in duel met Wayne Shorter die zijn eigen duivels bestreed.

Ondanks dat het wat statisch bleef, waren er best bezwerende uitwisselingen. Onbegrijpelijk dat publiek in het eerste nummer al z’n conclusies trok en wegliep, zeker bij dit duurdere plusconcert. Terug naar het loungedak met zijn easy tunes wellicht.