Free fight op de openbare weg

Hoe vaker een valpartij voorkomt, hoe minder je van toeval kunt spreken.

Alles is te groot. Te veel motorrijders, te veel auto’s en een te groot peloton.

In opperste concentratie scheurde Rabo-ploegleider Frans Maassen gistermiddag tegen vijven over de D57 naar Tagenac, achter de kopgroep van vijf onder wie zijn renner Luis León Sanchez. Wat doet die auto van de Franse televisie nou? Die kan er nooit langs hier! Zie je wel, botsing. Daar klettert Juan-Antonio Flecha hard tegen het asfalt. En daar vliegt Johnny Hoogerland door de lucht. „Ik zag hem in het prikkeldraad hangen, hij hing er helemaal in vast. Een aanfluiting natuurlijk. Maar ja, that’s life.”

Vlak na het ongeluk suist Rabo-renner Maarten Tjallingii langs zijn gehavende collega van Vacansoleil. „Wat zag Johnny eruit. Het leek wel of hij met een hond had gevochten!” Diepe snijwonden in bil en kuit, luidt de eerste diagnose aan de finish, die Hoogerland moederziel alleen 16.44 minuut na ritwinnaar Luis León Sanchez passeert. Direct wordt de fysiek en mentaal gebroken renner bedolven onder camera’s en journalisten. Moet hij naar het ziekenhuis? Eerst de huldiging voor de bolletjestrui, die hij onderweg met een schitterende krachtinspanning had heroverd. Commercieel circus voor alles. „C’est le Tour”, zegt Tjallingii droog.

De negende etappe van de Tour, over smalle wegen en acht bergjes in het Centraal Massief, leek bij vlagen op free fight op de openbare weg. Nadat Alberto Contador al vroeg in de rit ‘zonder erg’ was gevallen, raakte het peloton in de gevaarlijke afdaling van de Col de Pas de Peyrol opnieuw twee kanshebbers voor een hoge eindklassering kwijt. De Kazachstaanse routinier Aleksandr Vinokoerov (37), een dag eerder nog in de aanval, viel in het ravijn en moest de Tour verlaten met een waarschijnlijk gebroken rechterbovenbeen. De Belgische hoop Jurgen Van den Broeck, vorig jaar vijfde, werd afgevoerd naar het ziekenhuis met een gebroken schouderblad en een klaplong. „Hij mag blij zijn dat hij nog leeft”, zei Els Lemmens, ploegarts van Omega Pharma-Lotto.

„Ze willen allemaal graag de Tour winnen”, stelde Tjallingii, wiens kopman Robert Gesink zich na een moeilijke start goed voorin handhaafde. „Die mannen willen elkaar niet uit het oog verliezen en per se van voren rijden. Ook omdat de verschillen in het klassement nog heel klein zijn. We hebben nog geen tijdrit gehad, geen bergen. Vandaag was eigenlijk de eerste dag dat er iets kon gebeuren in het klassement. En dan gebeurt er nog niets.” Op de eliminatie na van twee kopmannen van miljoenenploegen, die hun hele seizoen op de Tour afstemden. Zoals vorige week Bradley Wiggins, Janez Brajkovic en Chris Horner een streep door hun Touraspiraties konden maken na een val. Maar onveilig voelt het niet, aldus rugnummer 49 Tjallingii.

Zijn ploegleider Adri van Houwelingen hoeft aan de finish maar een fractie van een seconde na te denken. „Ja, dit is de gekste Tour die ik ooit heb meegemaakt”, oordeelde de meest ervaren ploegleider van Rabobank, die zelf als renner al in 1981 een Touretappe won. „Vorig jaar hadden we één gekke etappe naar Spa. Nu is het al een hele week gek. De Tour is te groot geworden ja, dat denk ik wel.”

Vorige week haakte een motorrijder bij het passeren van het peloton de Deense renner Nicki Sörensen onderuit. Nu reed een auto van de Franse televisie twee renners in de kopgroep van de weg. „In de rit van zaterdag zag ik dat er liefst vijftien motorrijders reden tussen de winnaar (de Portugees Alberto Rui Costa) en nummer twee Philippe Gilbert. Het verschil tussen die twee was nota bene maar vijftien seconden. Er zijn te veel fotografen. En wat is de functie van die auto vandaag, waarom moet hij op die plaats in de koers inhalen? Daar moet de jury goed naar kijken, net als naar het totale aantal volgauto’s. Ook dat is te groot.” Ook al zijn de zondaars inmiddels door de Tourdirectie uitgesloten.

Maar ook de totale kracht van het peloton zelf is te groot, stelt Van Houwelingen. „Veertig jaar geleden won Jan Janssen een sprint en zat nummer tien op veertig meter. Nu hang je achterin het peloton op dezelfde afstand. Alles zit bovenop elkaar. Door de verbeteringen van het materiaal, denk aan de hoge velgen, en de wegen gaat het zoveel harder. In de buik van het peloton word je daarin meegezogen.” Een niet te stoppen bal die naar de finish rolt. Of eerder explodeert.

Alle valpartijen in deze Tour, de Colombiaanse renner Juan-Mauricio Soler die nog altijd in coma wordt gehouden na een val in de Ronde van Zwitserland, het dodelijk ongeluk van Wouter Weylandt in de Giro. „Hoe vaker het voorkomt, hoe minder toeval”, zegt Van Houwelingen. „Ik pleit voor een kleiner peloton, met 160 renners maximaal. Twee ploegen minder en een renner minder per ploeg. Dat betekent 20 procent renners minder, die vechten voor een plek. En minder controle en een opener strijd.”

Weinig kans dat zijn idee bijval krijgt, beseft Van Houwelingen. Elke ploeg wil meedoen aan de wedstrijd waarin negentig procent van de jaarlijkse publiciteit wordt behaald. En een val van de één is juist weer een kans voor de ander. „Het is gewoon bikkelhard”, zegt tweede Raboploegleider Frans Maassen.

Dus sloegen ze elkaar bij Rabo op de schouders na afloop. Kopman Gesink kon zich na een slechte dag op zaterdag nu wel voorin handhaven. Luis León Sanchez won de rit. „Vanavond dubbele champagne”, jubelde Maassen. Bij Vacansoleil geen champagne. Kans op de ritzege verspeeld, debutant Wout Poels naar huis met maagklachten. „Ontgoocheld”, sprak ploegleider Hilaire Van der Schueren.