De tragische positie van de nationale volleybalploeg

In 1996 was de nationale volleybalploeg olympisch kampioen. Vijftien jaar later is Nederland een Europees B-land. Voor veel topspelers is een interlandcarrière geen prioriteit meer.

Er zijn momenten dat de volleybalinternationals zouden willen dat Nederland vijftien jaar geleden in Atlanta geen olympisch kampioen was geworden. Houdt de vergelijking met het topteam van weleer dan nooit op? Spelen in de schaduw van goud kan frustrerend zijn, weet spelverdeler Nico Freriks, met bijna driehonderd caps de meest ervaren speler van de huidige selectie. Zijn mening is duidelijk: „Het verleden is onbelangrijk.”

Freriks vertolkt een breed gedragen gevoel. Maar niemand in ‘volleyballand’ is in staat de schimmen uit het verleden te verjagen. Verstandelijk geredeneerd weet iedereen dat de geschiedenis geen garantie voor de toekomst biedt. Maar dat gevoel van de haalbaarheid van goud is daarmee niet weggenomen. Hoe diep ook weggestoken, de hoop op herhaling van ‘Atlanta’ blijft.

De werkelijkheid is echter dat Nederland in de krochten van Europa volleybalt. De nationale ploeg wist zich niet te plaatsen voor het EK en het WK en heeft een troebel uitzicht op de Olympische Spelen van volgend jaar. De European League, een competitie voor B-landen, is het niveau waarop Nederland acteert.

Wie Nederland dit weekeinde tegen Spanje de laatste twee groepswedstrijden in de European League zag spelen, weet dat gouden successen op korte termijn een utopie zijn. Aan welwillendheid, passie en spelvreugde geen gebrek. Wel aan mondiaal niveau. Naar die maatstaven gemeten beschikt de nieuwe bondscoach Edwin Benne over een team met beperkte mogelijkheden.

Niet dat Nederland voor zijn doen slecht speelde in het Rotterdamse Topsportcentrum. Helemaal niet. Maar Benne kan (nog) niet werken met de beste Nederlandse volleyballers. En dat maakt de positie van het nationale team zo tragisch. Niet alle topspelers zijn beschikbaar. Benne moet het vooralsnog doen met aanstormende talenten, aangevuld met routiniers als Freriks, Jan-Willem Snippe en Jeroen Rauwerdink.

Het is even wennen aan namen als Nimir Abdelaziz, Sjoerd Hoogendoorn, Floris van Rekom, Bas van Bemmelen, Tony Krolis of Gijs Jorna. Waar zijn spelers als Robert Horstink, Dick Kooy, Rob Bontje, Wytze Kooistra, Niels Klapwijk, Kay van Dijk, Jeroen Trommel en Yannick van Harskamp? Op Horstink na waren die volleyballers er vorig jaar bij toen nog in de World League werd gespeeld en de uitwedstrijd tegen wereldkampioen Brazilië sensationeel met 3-0 werd gewonnen. Nu hebben ze geen tijd, geen zin, privébezigheden als trouwen, motivatieproblemen of zijn te vermoeid na een zwaar clubseizoen.

Op zich legitieme redenen om even te passen voor het Nederlands team, ware het niet dat prestaties op topniveau een volledige overgave van spelers vraagt. En die bereidheid ontbreekt bij de betere spelers, van wie Horstink, Bontje, Kooistra en Van Harskamp met toestemming van Benne tijdens de European League rust namen. Neem Kooy, een passer/loper die enige weken terug uit de selectie stapte omdat hij het niet langer kon opbrengen te trainen met spelers onder zijn niveau. Pas als Nederland het olympisch kwalificatietoernooi mag spelen, valt er weer met hem over terugkeer te praten.

Of neem Horstink, de topspeler die het niet meer kan opbrengen na een zwaar clubseizoen in Italië de zomer bij de nationale ploeg door te brengen. Hij prefereert voor het tweede opeenvolgende jaar een vakantie. En ook bij Horstink speelt mee dat Nederland is weggezakt. Hij is wel te porren voor EK’s, WK’s en Olympische Spelen, maar niet voor de European League.

Bondscoach Benne zit er mee. Hij wil vooruit, maar wordt geconfronteerd met onwilligheid van de beste spelers. Freriks is een uitzondering, zelfs als hij tijdens de European-Leaguewedstrijden de stand-in van het grote talent Abdelaziz is. Hij gaat uit van het teambelang. Freriks: „Zo lang ik nog progressie zie bij anderen en zo lang ze mij nog kunnen gebruiken, steek ik al mijn energie in de nationale ploeg. Die jonge spelers hebben ondersteuning nodig. Dat weet ik nog uit de tijd dat ik bij het Nederlands team kwam. Als ik niet in deze ploeg zou geloven, zou ik niet elke dag van Limburg naar de training in Rotterdam rijden. Ik vind het heel gemakkelijk om te zeggen: het is niet mijn niveau en ik doe niet langer mee. Een topspeler moet met tegenslagen kunnen omgaan.”

Rauwerdink is uit hetzelfde hout gesneden als Freriks. Hoewel hij vindt dat de beste volleyballers in de nationale ploeg horen, wil hij voorkomen dat de selectie een duiventil wordt. Wie niet wil, moet wegblijven. Rauwerdink: „Spelers die niet goed weten wat ze willen of niet honderd procent gemotiveerd zijn, passen niet in deze spelersgroep. Neem zo’n jongen als Krolis. Komt later bij de selectie, maar is wel bereid zijn vakantie van twee maanden op Curaçao ervoor op te geven. Dat is klasse. Die types wil ik er graag bij hebben.”