De macht van de taal

Ik wou dat je advocaten hun tong kon afsnijden als ze zich uitspreken tegen de regering, mopperde Napoleon tweehonderd jaar geleden. Advocaten zijn oproerkraaiers, vormgevers van misdaad en verraad. Ce sont des factieux, des artisans de crimes et de trahisons. Het voorstel om het tableau van advocaten in ere te herstellen, was volgens de keizer absurde.

Officieel formuleerde hij het anders. Toen een gewijzigd voorstel eenmaal was aangenomen en de organisatie van advocaten bij wet was geregeld, beschreef de keizer dit als „een der geschiktste middelen om de eerlijkheid, de kiesheid, de belangeloosheid, de geest van bevrediging, de liefde tot waarheid en recht, een verlichte ijver voor de zwakken en onderdrukten, de wezenlijke grondzuilen van dit beroep, te handhaven”.

Napoleon had groot gelijk. We worden geregeerd door taal. Als het de machthebber niet lukt om zijn tegenstanders letterlijk de tong af te snijden, moet hij het maar figuurlijk proberen – door de tekst van regels en beleid eigenhandig te bepalen en hierbij retorische toelichtingen te schrijven.

Vandaag, tweehonderd jaar later, is dat niet anders. Als je macht wilt, moet je voor elkaar krijgen dat je het letterlijk voor het zeggen krijgt en dat je bepaalt welke taal wordt gebruikt in het debat.

Dit weekend schreven tien mensen in de krant een briefkaart aan de regering. Drie van hen schreven over de rol van Nederland in Europa. Hassnae Bouazza bezong de „multiculturele wereld”. Daarin bewoont zij zelf een „allochtoonse zuil”. Britta Böhler vond dat zelfs tegenstanders van het multiculturalisme tegenwoordig moeten inzien hoe pluralistisch de westerse samenleving is geworden. „Het idee van een homogene natiestaat is niet meer van deze tijd.” Thierry Baudet leverde juist kritiek op de uitspraak van voorzitter Van Rompuy van de Europese Raad dat de „homogene natiestaat dood” is. Willen we van Europa soms een federatie maken, à la voormalig Joegoslavië?

De drie brieven lieten mooi zien wat er gebeurt in het debat als iedereen zijn eigen definitie gebruikt van begrippen. Legde je de stukken naast elkaar, dan maakte een ‘allochtoonse zuil’ deel uit van de definitie van het multiculturalisme. Het multiculturalisme viel samen met het pluralisme. Het pluralisme bewees het einde van de homogene natiestaat. Het einde van de homogene natiestaat draaide uit op een heilloos federalisme. Ergens onderweg moeten de begrippen zijn verschoven, van inhoud zijn veranderd en zonder verdere toelichting naar eigen inzichten zijn ingevuld. Zou het niet een stuk handiger zijn als we in het vervolg allemaal hetzelfde bedoelen met termen als ‘multiculturalisme’ en ‘homogene natiestaat’?

Napoleon liet tweehonderd jaar geleden zijn macht gelden door precies dat te doen – door voor eens en voor altijd te bepalen wat met begrippen wordt bedoeld. Dat legde hij vast in wetboeken. Hij codificeerde, hij uniformeerde en hij standaardiseerde. Zo werd in 1811 niet alleen de Nederlandse advocatenorde, maar ook de Nederlandse rechtspraak formeel op poten gezet op Napoleontische wijze. Opgeleide beroepsrechters namen de plaats in van lekenrechters. Recht werd gesproken volgens gestandaardiseerde procedures. De keizer greep de macht via de taal.

Althans, door deze codificatie kreeg de wetgever het meer en meer voor het zeggen. Hadden in vroeger eeuwen de onderdanen nog invloed gehad op het recht, omdat hun gewoonteregels werden verheven tot wet – nu was het alleen nog de staat die het recht bepaalde. Het recht was exclusief een domein geworden van woorden. Het positieve recht, schreef de jurist Cornelis Willem Opzoomer aan het eind van de negentiende eeuw, kan „alleen in woorden, niet nog daarnaast in daden (door herhaald hetzelfde te doen gewoonterecht scheppen) zich uiten”.

Gelukkig maakte de wetgever aanvankelijk niet zoveel wetten. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw is wetgeving booming business. Het land zucht steeds wanhopiger onder stapels papieren met wetten, regels, maatregelen en verordeningen. Tegen deze vorm van sovjetisering komen onderdanen langzaamaan in opstand. Het verbaasde me niets dat de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal, ter viering van het tweehonderdjarige bestaan van de Napoleontische rechtspraak, een feestelijk minisymposium organiseerden onder de titel The Lawless Society.

De wetteloze samenleving! Dit klonk als een nieuwe revolutie, als herovering van macht op de staat, als een weigering van de rechters om hun tong te laten afsnijden en als hun wens zelf weer mee te bepalen wat de wetten betekenen.

Inderdaad eisten ze hun interpretatieruimte op. Ze spraken zich uit tegen de staatsdwang van minimumstraffen en tegen pogingen van de politiek om de toegang tot de rechter te bemoeilijken door de griffierechten te verhogen. Het bleef allemaal voorzichtig, totdat een van de rechters het heel zachtjes zei – less law in society.

Interpretatie is macht. Dat is de moraal. Of, liever gezegd – sta je interpretatieruimte nooit volledig af. Kijk uit voor retorici, columnisten en al die andere mensen die goochelen met begrippen.