Damir was 15 jaar en durfde niet om te kijken

Vandaag is de jaarlijkse herdenking van de val van Srebrenica.

613 Srebrenica-slachtoffers worden opnieuw begraven, onder wie de vader van Damir.

„Ik was vijftien en ik durfde niet meer om te kijken. Ik was zo bang. Ik durfde het niet.” Damir Mustafic zag dus niet hoe zijn vader op 13 juli 1995 door Bosnische Serviërs werd afgevoerd.

Zijn vader, Rizo Mustafic, was elektricien bij Dutchbat. Bij de opeenvolgende bataljons had hij zich onmisbaar gemaakt, zegt Damir. Dutchbat-soldaten die met Rizo Mustafic vriendschap hadden gesloten, werden gastvrij onthaald bij hen thuis in Srebrenica.

Damir Mustafic, nu 31, weet nog precies wat er in de zomer van 1995 van dag tot dag gebeurde. Op 11 juli namen de Bosnisch-Servische troepen onder leiding van generaal Ratko Mladic Srebrenica in. Naar schatting 25.000 vluchtelingen probeerden een veilig heenkomen te zoeken bij Dutchbat in het nabijgelegen Potocari. De Nederlandse militairen brachten vluchtelingen onder op hun compound, in de loods van een voormalige accufabriek. De overige twintigduizend verbleven buiten de compound, in de openlucht.

Op 12 juli, aan het eind van de ochtend, begonnen de Bosnische Serviërs de vluchtelingen buiten de compound weg te voeren. De mannen werden van de vrouwen gescheiden en apart in bussen afgevoerd.

Op 13 juli, in de namiddag, stuurden de Nederlandse militairen de vluchtelingen op de compound weg. Wie een pasje van de Verenigde Naties had, mocht blijven. Rizo Mustafic had geen VN-pasje. Hij moest weg. En hij kwam niet terug.

Vorig jaar pas, vertelt zijn zoon, werd Rizo Mustafic’ lichaam gevonden, in een massagraf. Uit de sectie bleek dat hij in zijn linkerheup en rechterarm was geraakt en op korte afstand in zijn hoofd was geschoten. Damir Mustafic: „Ze hebben eerst met machinegeweren op een rij mannen geschoten. Daarna zijn ze alle lichamen langsgegaan, om te kijken wie er nog bewoog.”

Vandaag, zestien jaar na de val van Srebrenica, wordt Rizo Mustafic herbegraven tijdens de jaarlijkse herdenking van de genocide. „Ik zal aan zijn graf vertellen dat een Nederlandse rechter heeft geoordeeld dat de Nederlandse Staat verantwoordelijk is voor zijn dood”, zegt Damir.

Want zo luidde vorige week het vonnis waarop Damir Mustafic al jaren hoopte. Volgens het gerechtshof in Den Haag is de Nederlandse Staat verantwoordelijk voor de dood van Rizo Mustafic en van twee andere moslimmannen die in 1995 door de Bosnische Serviërs zijn afgevoerd en vermoord. Naast Rizo Mustafic gaat het om twee familieleden van Dutchbat-tolk Hasan Nuhanovic.

Het was een landmark ruling, schreef de International Herald Tribune. En een mijlpaal is de uitspraak van het Haagse gerechtshof zeker. Dutchbat had de mannen niet van de compound mogen sturen. De Nederlandse militairen, oordeelde het hof, waren er getuige van geweest dat moslimmannen buiten de compound door de Bosnische Serviërs werden mishandeld of gedood. Letterlijk stelt het hof dat „Mustafic in leven zou zijn gebleven indien de Staat niet onrechtmatig jegens hem had gehandeld”. Damir Mustafic zegt dat het recht „na tien jaar procederen tegen de Nederlandse Staat” heeft gezegevierd. Maar, zegt hij ook: „Ik krijg mijn vader er niet mee terug.”

Niet alleen Damir Mustafic, ook Rizo Mustafic’ dochter Alma verhief de afgelopen jaren haar stem. Zij vertelde drie jaar geleden in de rechtszaal hoe haar vader een keer een schaap had geslacht, omdat drie Dutchbat-vrienden bij hen kwamen eten. De restjes waren voor de kinderen. „En dat was genieten”, zei ze.

„Maar die vriendschap”, zegt haar broer nu, „noch toezeggingen van Dutchbat-commandant Karremans en plaatsvervangend commandant Franken konden voorkomen dat wij van de basis werden gestuurd”.

Damirs laatste herinneringen aan zijn vader spelen zich af in het kantoortje van zijn vader op de compound. Na de val van Srebrenica hadden Rizo Mustafic, zijn vrouw Mehida en hun kinderen Damir, Alma en Mirsada daar hun toevlucht gezocht. Rizo Mustafic werkte sinds begin 1994 als elektricien voor Dutchbat. „Hij was in dienst van het gemeentebestuur van Srebrenica en bij Dutchbat gedetacheerd”, vertelt Damir.

Aan het eind van de middag van 13 juli 1995 moest ook Rizo Mustafic met zijn gezin vertrekken. Hij had eigenlijk mogen blijven, maar een opdracht van het VN-hoofdkwartier in Sarajevo om ook niet-officiële werknemers mee te nemen, bereikte de Nederlanders te laat. De personeelsfunctionaris van Dutchbat had Rizo Mustafic en zijn gezin al weggestuurd.

Met tape was een pad gecreëerd van de fabriek naar de uitgang, vertelt zijn zoon. Daar stonden de bussen en vrachtwagens. Rizo Mustafic werd door Bosnische Servïërs uit de rij gehaald. Zijn vrouw klampte wanhopig Nederlandse soldaten aan. Ze vroeg hen waarom ze dit toelieten, terwijl Rizo toch voor hen had gewerkt. „Op weg naar onze bus durfde ik niet meer om te kijken”, zegt Damir. „Ik heb mijn vader nooit meer gezien.”

Damir Mustafic en zijn moeder en zussen kwamen terecht in Tuzla in het noordoosten van Bosnië. Daar hebben ze een paar maanden gewoond, toen zijn ze naar Nederland gegaan. Nederland, het land van Dutchbat. Damir: „Het was de wens van mijn vader zich na de oorlog in Nederland te vestigen. Hij was hier al een paar keer geweest. Mijn moeder heeft die wens vervuld.”

Voor Damir Mustafic kwam de uitspraak vorige week als een absolute verrassing. „Ik stapte in de auto en dacht: het wordt natuurlijk weer niks. Al tien jaar lopen we tegen een muur van onbegrip en weerstand op. Ik geloofde er niet meer in.”

Zijn moeder en zijn twee zussen waren niet bij de uitspraak aanwezig. Zij waren al in Srebrenica in verband met de begrafenis van zijn vader. Damir: „Met deze uitspraak en met de begrafenis van mijn vader hopen we eindelijk rust te krijgen.”