Afdingen op een grasmaaier

Correspondenten speuren deze zomer rommelmarkten af naar nationale trauma’s, passies of obsessies.

Britten snuffelen vooral voor de gezelligheid.

Het gras is zompig. Auto’s hebben diepe, modderige sporen achtergelaten tussen de weidebloemen en de koeiendrek.

Maar achterin de wei is iets gaande: een car boot sale. Tientallen families slenteren langs de opengesperde achterbakken van auto’s en turen naar de koopwaar. Op wankele tafeltjes staan kartonnen dozen met speelgoed, zelf gestekte planten, vazen en servies, dvd’s en boeken. Aan de autodeuren hangt kleding.

Je vindt hier afgedankte rommel die zonder enige schaamte wordt tentoongesteld. De geur van hamburgers drijft over, kinderen zeuren om een ijsje, vaders proberen op opgewekte toon af te dingen op een grasmaaier, moeders op een handtas.

Bordjes langs de kant van de weg hebben ons naar deze wei in het dorpje West Wycombe in Oxfordshire gelokt. Maar dit had op een zondag in de zomer overal in het Verenigd Koninkrijk kunnen zijn. Gemiddeld gaat de Brit, zo berekende verzekeraar Prudential een aantal jaar geleden, vijf keer per jaar naar een car boot sale en besteedt er dan zo’n 10 pond. Ruim 62 procent van de Britten, 29 miljoen mensen, is wel eens naar zo’n rommelmarkt geweest.

Er is iets typisch Brits aan een car boot sale. Van de vroege ochtendopening (zeven uur is niet ongewoon) als handelaren nog hun slag hopen te slaan, tot de goeiige toegangsprijs voor bezoekers (50 pence hier in West Wycombe) zodat een car boot sale een echt familie-uitje is. Er wordt nauwelijks gegraaid, goedmoedig onderhandeld, en er is tijd voor een praatje.

Een vaas is 1 pond, een gloednieuwe doos gezichtsverf voor kinderen 50 pence. Een plantje 1,50, met afdingen 1,10. Een kinderfiets zoveel als je ervoor overhebt.

Natuurlijk, iedereen hoopt op die ene schat. De populariteit van BBC-programma’s als Car Booty en Bargain Hunt, waarbij onder begeleiding van deskundigen huisraad werd gekocht en verkocht, heeft ertoe geleid dat iedere vaas wordt bekeken alsof die van zeldzaam porselein is gemaakt, en iedere boek een eerste, gesigneerde druk kan zijn.

Maar in West Wycombe liggen geen antieke zeldzaamheden. Slechts de aandenkens van gewone levens.

Bric-à-brac, zegt Sally Franklin. Ze heeft de organisatie van de car boot sale overgenomen van haar vader, die hem twintig jaar geleden begon in een wei van een bevriende boer. Doordeweeks is Franklin (32) lerares op een lagere school in Londen, op zondag staat ze in kaplaarzen, spijkerbroek en fleece met haar walkie-talkie in West Wycombe.

Handelaren laat ze maar mondjesmaat toe. „Het moet geen markt worden, het gaat om spullen waar mensen vanaf willen, niet om handel.” Recyclen voor de gewone man, zegt ze.

En waar wil men vanaf? Speelgoed. Net als bij velen, ligt ook de tafel van postbode Tracy, die niet met haar achternaam in de krant wil, vol met plastic actiefiguurtjes, knuffelbeesten, een mobile voor de babykamer, kinderfietsjes en rolschaatsen. Ze staat om de drie weken in de wei. „Met spullen die we niet meer nodig hebben.”

Ze begon ermee toen ze met de geboorte van haar dochter zoveel spullen kreeg, dat „de garage dichtgroeide”. Het werd een verslaving, grapt ze, „die net dat beetje extra geld oplevert”. Ze houdt van de gesprekken die ze op zo’n zondag voert.

Het gaat niet om dikke winst: aan een halfslachtige poging tot onderhandelen van een stel dat de mobile wil hebben, geeft Tracy onmiddellijk toe. „Het ligt aan hoe ik het heb gekregen. Ik vraag nooit het volle pond voor iets dat ik hier heb gekocht.” Want ze koopt ook. Op de voorbank van haar auto ligt al een roze prinsessenkasteel.

De Britse voorliefde voor dit type rommelmarkt is deels een organisatorische kwestie, zegt hoogleraar Nicola Gregson. Ze deed onderzoek naar car boot sales voor haar boek Second Hand Cultures. „De vlooienmarkten die voor het Europese continent zo karakteristiek zijn, bestaan hier niet op dezelfde schaal. Het heeft te maken met marktvergunningen en bouwvoorschriften die hier bestaan om gemeentelijke markten te beschermen, en die het aantal keren beperken dat een onafhankelijke markt op één locatie mag worden gehouden. Dat gaat terug tot de Middeleeuwen.” Sally Franklins car boot sale verhuist om diezelfde reden ook na veertien zondagen van West Wycombe naar een wei in het nabijgelegen Bradenham.

Car boot sales lijken op die andere typische Britse instelling: de bazaar. Hoogleraar Gregson: „Die begonnen lang voor het autotijdperk en zijn meestal bedoeld om geld in te zamelen voor goede doelen. De kerk, scholen, lokale toneelgroepen en dat soort dingen.” De Brit doneert zijn rommel dan aan de instelling, die het weer kan verkopen om bijvoorbeeld de kerktoren te repareren.

En „ze lijken op de Amerikaanse of Australische yard sales”, zegt Gregson. „Alleen is thuisverkoop geen Britse gewoonte.”

De meeste Britten (39 procent) gaan naar een car boot sale voor de gezelligheid, ontdekte verzekeraar Prudential. Maar dat ontloopt de wens om koopjes te vinden nauwelijks; 36 procent van de ondervraagden zei op zoek te zijn naar goedkope spullen, terwijl slechts 7 procent zich een verzamelaar noemde en op zoek was naar antiek, postzegels of boeken.

Die herken je onmiddellijk, zegt postbode Tracy. „Ze komen als ik nog aan het uitladen ben. Meestal vragen ze om platen, telefoons of Lego.” Lego? „Ja, een klein zakje Lego is tegenwoordig tien pond waard.”