Voor lul op de bruiloft van Jan en Marjan

Vier mannen met in elke hand een biertje staan in een kring om mij heen. Waar kom jij vandaan gekropen? Uit Amsterdam, zeg ik. Dat bedoelen ze niet. Uit welk hotel hier op Vlieland, bedoelen ze, en hoe kwam ik op het idee als toerist naar een eilandershuwelijk te gaan? Ik zeg dat ik over feesten schrijf, dat ik over het stille donkere eiland fietste en het lawaai hoorde. Dat ik wil weten of ik wel of niet welkom ben. Wat denk je zelf? grijnst de man recht tegenover mij. Welkom? probeer ik. We gaan het aan Jan vragen, zegt de grootste. Jan, roept hij, Jan hier is de stripper! Jan, in pak en met drie bier tussen zijn handen geklemd, komt lachend aangelopen. Hij is de bruidegom. Hij ziet er vriendelijker uit dan de rest. Ik zeg dat ik slecht ben in strippen en herhaal nog eens wat ik net zei. Jan kijkt goed naar mij. Misschien ben je iets voor Hielke.
Welkom dus.

Hielke stelt zich voor en duwt een wodka 7-up in mijn handen. Achter hem staat Marjan, de bruid. Die komt hier natuurlijk gratis onze drank opzuipen, zegt ze, precies zo hard dat ik het hoor. Ik vraag hoe haar dag was. Zoals dat gaat, zegt ze stug. Een bode komt je halen met jenever en een sigaar. Dan trouw je in het witte huisje op het strand en nu lekker zuipen. Zo’n huwelijk, daar moet je niet te moeilijk over doen.

Binnen speelt de band, keyboard en zanger, ‘I will survive’. De gasten dansen, lachen, praten en kijken naar mij over hun bierglazen. ‘Die schrijft een rapport voor Amsterdam’, zegt een man naast mij tegen zijn gesprekspartner. Ik beweeg ongemakkelijk heen en weer op de maat van de muziek. Niet dansen, het is al erg genoeg, sist iemand in mijn oor. Het is Hielke. Wat moet ik dan doen? Lullen, antwoordt hij. En niet zo arrogant kijken. Arrogant? Ja, zegt Hielke, alles aan jou straalt dat uit. Ik neem een slok van mijn vodka 7-up en vraag wat hij daar mee bedoelt. Dit! roept hij. Je moet niet zoveel vragen stellen, dan heb je het hoog in je bol. Amsterdammers hebben dat gewoon, zegt hij meer tegen zichzelf dan tegen mij.
Ik vraag of hij toeristen per definitie arrogant vindt. Hielke schudt zijn hoofd. Ik heb geen mening over toeristen. Maar die komen ook niet op onze feesten. Die liggen nu in hun huisjes te slapen.
Ik weet zolangzamerhand niet meer hoe ik me moet gedragen. Geen vragen dus. Lullen. Maar ik weet even niks om over te lullen.

Er komt een man bij ons staan. Dit is Sietze van de boten, zegt Hielke. Hij heeft me laatst ontslagen. Nou nou, mompelt Sietze. Een meisje komt langs met twee soorten leverworst. Ik durf niet te zeggen dat ik vegetariër ben. Zwijgend kauw ik het kleverige plakje weg. Sietze vraagt of ik rook. Ik knik en loop achter hem aan naar buiten. Hij haalt een pakje zware shag uit zijn jaszak. Ik rook alleen Marlboro light. Maar ik zie niemand met sigaretten en ik wil die leverworstsmaak uit mijn mond. Iedereen hier heeft een vooroordeel over mij, klaag ik tegen Sietze. Hij haalt zijn schouders op. Ik heb een tijdje op het vasteland gewoond. De eerste weken groette ik iedereen op straat, dat vond ik normaal. Ik stond voor lul, net als jij nu. Zo gaat dat. Ik vraag hem wat ik kan doen om hier niet voor lul te staan.
Sietze glimlacht een beetje treurig. Naar huis gaan, zegt hij en reikt mij een shaggie aan. Dat heb ik toen ook gedaan.