Moeten we weer leren discrimineren?

Het snode en kostelijke

In het artikel ‘We moeten weer leren discrimineren’ stelt Bart Jan Spruyt dat een democratie niet gebaseerd dient te zijn op het beginsel van gelijkheid, maar op het idee van hiërarchie (Opinie & Debat, 2 juli). We moeten weer een onderscheid maken tussen goede en verwerpelijke, tussen superieure en inferieure denkbeelden, tussen het ‘kostelijke’ en ‘snode’. Het moet maar eens uit zijn met dat vermaledijde relativisme.

Dat klinkt heel fraai, maar dan moet Spruyt ook duidelijk maken wat zijn maatstaf is en hoe hij denkt die te zullen hanteren.

Enerzijds breekt Spruyt een lans voor de SGP, christelijke schoolbesturen die homoseksuele leerkrachten weigeren en de Rooms-Katholieke Kerk. Anderzijds lijkt hij grote moeite te hebben met moslima’s die een hoofddoek dragen, omdat zij daarmee wellicht duidelijk willen maken dat het moslimgeloof superieur is aan de westerse beschaving. Niet iedereen die het snode en het kostelijke van elkaar onderscheidt, kan dus rekenen op instemming van Spruyt.

Spruyt zal moeten zeggen welke waarden superieur zijn en welke denkbeelden dienen te worden bestreden. Ook moet hij vertellen of mensen met inferieure opvattingen dezelfde rechten hebben als de happy few waartoe Spruyt behoort. Bepleit hij, net als zijn voormalige politieke vriend Wilders, dat de artikelen 1, 6 en 7 van de Nederlandse Grondwet niet van toepassing zijn op moslims?

Ooit bepleitte Spruyt, in navolging van Carl Schmitt, een haarscherp onderscheid tussen ‘vriend’ en ‘vijand’. Wie zijn zijn vijanden precies? Met welke vijanden wil hij een bondgenootschap sluiten? Voor hoe lang wil hij dat doen? Hij laat zich heel lovend uit over zowel de SGP als de katholieke kerk, maar verzwijgt voor het gemak dat de katholieken zich in de ogen van echte SGP’ers zich schuldig maken aan de afgrijselijkste vorm van afgoderij.

Als Spruyt eindelijk eens duidelijk maakt waar hij staat en waaruit volgens hem ‘onze cultuur’ bestaat, kunnen wij uitmaken of we vinden dat zijn denkbeelden moeten worden gerekend tot het ‘snode’ of tot het ‘kostelijke’.

Rob Hartmans

Assendelft

Gelijkheidskarikaturen

Bart Jan Spruyt bepleit minder gelijkheid en meer discriminatie. Zijn stuk doet mij huiveren. Ten eerste is zijn argumentatie tendentieus. Hij valt niet het gelijkheidsideaal aan (dat volgens mij overigens beter het gelijkwaardigheidsideaal kan worden genoemd, omdat mensen natuurlijk slechts in gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden), maar maakt rare karikaturen ervan. „Gelijkheid” zou niet kunnen samengaan met het doorgeven van tradities. Het zou onvermijdelijk leiden tot een grote overheid. „Gelijkheidsdrijvers” willen „gelijkheid opleggen”. Het maken van onderscheid is „taboe”.

Ten tweede lijkt het erop dat hij vooral moslims wil discrimineren. Christenen zijn volgens hem fatsoenlijk, ondanks discriminatie van vrouwen en homo’s. Joden maken, kennelijk in tegenstelling tot moslims, „geen misbruik van de godsdienstvrijheid”, maar moslims hebben „minder goed geslepen [slagers]messen”. Moslima’s „kunnen” een hoofddoek dragen, om daarmee „de superioriteit van het islamitische geloof en de inferioriteit van de westerse beschaving” uit te drukken. Kennelijk is Spruyt overtuigd van precies het tegenovergestelde.

Mijns inziens is het niet het westerse element in onze beschaving dat superieur is, maar het moderne. Bij het moderne element horen idealen als democratie, vrijheid en de gelijkwaardigheid van mensen. Zoals de meeste christenen deze idealen omarmen, doen ook steeds meer moslims dat – gewoon omdat deze idealen moreel superieur zijn. Spruyts pleidooi om meer te discrimineren – en toe te staan dat christenen vrouwen en homo’s discrimineren – doet vermoeden dat hij het gelijkwaardigheidsideaal niet deelt.

Dr. ir. J.C. Bosma

Groningen

Hoofddoekredenen

In zijn pleidooi voor discriminatie laat Bart Jan Spruyt blijken dat hij de werken van vele grote denkers heeft geconsulteerd. Helaas wordt zijn stuk ontsierd door ongefundeerde insinuaties. Het lijstje grote namen steekt daarbij nogal potsierlijk af.

Terwijl Nederlandse vrouwen vroeger om praktische redenen een hoofddoekje droegen, beweert Spruyt dat moslima’s „een hoofddoek kunnen dragen om daarmee de superioriteit van het islamitische geloof en de inferioriteit van de westerse beschaving uit te drukken”. Dat is natuurlijk maar een slag in de lucht. Dat weet hij zelf ook wel (hij voegt niet voor niets nogal geniepig het woordje „kunnen” toe), maar onfatsoenlijk blijft het. Ik heb van moslima’s heel wat redenen gehoord om wel of geen hoofddoek te dragen, maar deze is toch echt afkomstig uit het brein van Spruyt zelf.

In zijn eigen kerkgenootschappen (de Gereformeerde Gemeenten en de Hersteld Hervormde Kerk) bedekken vrouwen in het kerkgebouw hun haar, zoals ook moslima’s hun haar bedekken. Ze dragen lange rokken. Als hij niet de moeite wil nemen om met moslima’s zelf te praten, kan hij misschien eens zijn licht opsteken bij zijn vrouwelijke geloofsgenoten. Ik kan hem verzekeren dat de beweegredenen die hij dan te horen zal krijgen – respect voor de traditie, niet met jezelf te koop lopen, symbool van het geloof, gewoonte – meer zullen lijken op die van moslima’s dan zijn eigen benauwde angstdromen doen vermoeden. Of dragen gereformeerde vrouwen een hoedje om de „superioriteit van het christelijke geloof en de inferioriteit van de seculiere westerse beschaving” uit te drukken?

Elisabeth de Boer

Arnhem