Kampioen kraanvogel

Op de WK Bikram Yoga in Los Angeles gaat het niet om harmonie, maar om competitie. Hoe soepelheid en commercie samen gaan.

Hij stapt in zijn zwembroekje het podium op, flitst een killer smile, en meteen zit het publiek rechtop. En dan moet hij nog beginnen. Hij doet hetzelfde als de anderen – vijf standaardhoudingen, twee naar eigen keuze, in precies drie minuten – maar hij is anders, beter. Hoe kan dat?

„Winnaar”, noteer ik verliefd. „Lichaam lijkt voor yoga gemaakt.”

De zaal waarin het achtste International Yoga Asana Championship plaatsvindt, is donker, smoezelig; het Radisson Hotel in Los Angeles doet niet aan overbodig design. Maar wat zich hier voor de ogen van een paar honderd toeschouwers voltrekt is verbijsterend. Basis voor de kampioenschappen vormen de houdingen die je leert bij Bikram yoga; een wereldberoemde, ook in Nederland steeds populairder vorm waarbij de yogaruimte wordt verwarmd tot ongeveer 40 graden en in negentig minuten een vaste serie houdingen wordt afgewerkt.

Ik doe sinds een jaar of vijf aan ‘Bikram’ en ken de ‘standing head to knee’, de ‘standing bow’ en de ‘rabbit’ dus van talloze eigen pogingen – maar deze 60 yogi’s gaan daar ver voorbij. Sommigen lijken geen ruggengraat meer te hebben, zo soepeltjes laten ze zich achterover zakken tot ze ons door hun eigen benen weer aankijken. Armen als pilaren waarboven de rest van een lijf wordt dubbelgeklapt, benen in nekken, een staande split – het gaat maar door. Het enige wat hier nog aan een gewone les doet denken, is de klamme warmte. Als ik zelf niet mag bewegen, verdraag ik die maar moeilijk; na een yogi of twintig jaagt een bijna-appelflauwte me de zaal uit.

In de lobby blijf ik staan voor een monitor om de rest te kunnen zien. De stemmen van de yogi’s, die telkens hun eigen poses aankondigen, gaan hier helaas door de vele kinderstemmen verloren: dit is ‘Baby Central’, zoals een passerende hippiedame smalend opmerkt. Een van de vele gezondheidsclaims van Bikram yoga is dat het de vruchtbaarheid stimuleert, en afgaande op wat hier allemaal ligt, kruipt en krijst is dat geheel terecht. De oppasoma’s en -partners („Osiris? Ik denk dat het tijd is voor jouw lunch. Nu mag dat jongetje even. Osiris?!”) voeren de grootste relschoppers gegeneerd af naar de eigen hotelkamer.

Topjes

Als alle heren geweest zijn, is het tijd voor een ‘korte pauze’ – een eufemisme dat neerkomt op minstens anderhalf uur, waarin wij worden aangemoedigd om „onze geweldige sponsors te steunen” door matjes, topjes en thermosflessen aan te schaffen bij hun kraampjes op de gang. De presentator beseft de ironie van zijn oproep; yoga en geld worden geacht te vloeken, maar hé, „laten we de economie stimuleren, mensen!”

Ik raak in gesprek met Jeff Renfro, een zonverbrande vijftiger die behalve yoga-instructeur en verkoper van geestig geïllustreerde merchandising ook ‘wereldrecordhouder kreefthouding op een surfplank’ is. Jeffs beste cartoon is van Bill Clinton in handstand, met walmende sigaar in de mond. „Een kadootje dat Bikram heeft laten maken voor zijn vriend in het Witte Huis”, zegt Renfro. Bikram heeft veel beroemde vrienden. „Ken je hem?” vraag ik, opeens een groupie. Bikram bedoel ik, niet Clinton. „Hoe is hij?”

Ik weet dat Mister B. net in de zaal zat, maar meer dan een glimp van een gleufhoed kon ik niet van hem opvangen.

In de yogawereld heeft Bikram Choudhury (Calcutta, India, 1946) een dubieuze reputatie. De reeks houdingen waarmee hij in de jaren zeventig zijn naam vestigde, volgens de concurrentie een simpele vergroving van yoga, dienen in elke school die zijn naam draagt op exact dezelfde manier onderwezen te worden; de verplichte, negen weken durende lerarenopleiding zou het ‘McYoga’-hoofdkwartier in Los Angeles maandelijks miljoenen dollars opleveren. Bikram woont in een paleis, bezit een vloot Bentleys en Rolls-Royces en is uiterst grof in de mond. Weinig verlicht allemaal. En dat terwijl hij oude waar verkoopt. Yoga bestaat al duizenden jaren; Bikram zelf leerde het als kind van een Indiase meester, Bishnu Gosh. Maar Bikram heeft copyright weten te krijgen op een bepaalde sequentie van 26 houdingen en twee ademhalingsoefeningen, plus de omstandigheden waaronder ze moeten worden uitgevoerd: in een warme, vochtige ruimte. Een Bikram-fan kan nu in een kleine duizend scholen wereldwijd terecht voor een vrijwel identieke les; zelfs de instructies zijn volgens script.

Ik hou van Bikram yoga. Het is de zwaarste en beste vorm van lichaamsbeweging die ik ken. De voorspelbaarheid, de commanderende toon van de leraren, het gezweet – ik vind het heerlijk. Vraag me niet waarom. Ik denk dat Bikram me van mijn muisarm, stijve nek en zwabberenkels heeft afgeholpen, terwijl anderen melden minder last te hebben van hun hernia, migraine of overgewicht – maar harde medische bewijzen hiervoor zijn niet te leveren.

De kampioenschappen staan onder leiding van Bikrams vrouw, Rajashree; tevens de drijvende kracht achter een lobby om yoga naar de Olympische Spelen te krijgen. Het idee van competitieve yoga is ook omstreden: waarom elkaar beoordelen en bestrijden, terwijl yoga staat voor harmonie? Het tegenargument uit het Bikram-kamp luidt dat in India al eeuwen yogawedstrijden plaatsvinden, en dat ‘het beste uit jezelf halen’ juist inspirerend voor anderen is. De eigenaren van de zes Nederlandse Bikram scholen hebben mij in Los Angeles uitgenodigd in de hoop het gebeuren zo meer bekendheid te geven – temeer daar Nederland er in het algemeen goed presteert. Vorig jaar won Kasper van Wijngaarden uit Amsterdam bij de mannen. Dit weekend loopt hij sereen door het hotel. Hij zal zijn titel aan een opvolger moeten afstaan, want de heersende kampioen is van de wedstrijd uitgesloten.

’s Avonds ontdek ik Bikram in de hotelbar: hij zit ontspannen op een sofa en prikt van eenzelfde plastic bordje groenvoer als zijn volgelingen, die hem afschermen van opdringerige bewonderaars. Misschien valt hij mee. Een verhaal dat hij zelf graag verspreidt, is hoe hij Madonna heeft beledigd: zij wilde privélessen, en daar doet hij niet aan. Alle yogi’s zijn gelijk. Het enige dat een kampioen van de anderen onderscheidt, is zijn toewijding.

Pablo de Haas is in dit opzicht exemplarisch: hij doet bescheiden, bijna wegwerpend over zijn eigen optreden. Het ging niet perfect, aarzelt hij als ik hem complimenteer. Ze waren nog met het licht bezig toen hij begon. Hij zal wel zien. „Er lopen hier vast veel competitieve mensen rond, maar dat merk ik niet zo. Voor mij is de beloning dat ik mezelf ontwikkel.”

Naast De Haas reisden dit jaar twee Nederlandse vrouwen en een 17-jarige scholiere, nog net niet te oud voor de categorie ‘jeugd’, naar Los Angeles af. Nederland doet het weer niet slecht, blijkt: zowel De Haas als Sarea Hidskes, die vaker heeft meegedaan, dringt door tot de top 10. Op zondag mogen beiden opnieuw het podium op.

Ze winnen niet. De internationale jury, die aan elke pose punten toekent voor kracht, lenigheid, evenwicht en timing, wijst het kleine krachtbonkje Yukari Miwa uit Japan als beste vrouw aan. Bij de jeugd wint Karla Gonzalez, een mollige Mexicaanse tiener met charisma voor tien; ‘overall grace’ wordt ook beloond. En bij de mannen? Joseph Encinia heet hij, en hij komt uit Dallas, Texas. Het is de man met de killer smile.