In vier jaar tijd verdween het geld bij Slachtofferhulp

Bij stichting Slachtofferhulp Nederland dreigt een negatief eigen vermogen. In een brief aan de medewerkers gist directeur Harry Crielaars naar de oorzaken.

De stemming was opperbest in het Beatrix Theater te Utrecht. Eerst een lovende speech van de minister-president himself. Daarna de afsluiting met een speciaal gecomponeerd jubileumlied. „Een geoliede machine”, noemde Jan Peter Balkenende Slachtofferhulp Nederland bij het 25-jarig bestaan, in september 2009. „U hebt slachtoffers niet alleen een luisterend oor geboden, maar ook een gezicht gegeven en een stem.”

Twee jaar later is er weinig reden meer tot vreugde. Natuurlijk, er waren tal van geslaagde hulpacties: voor de slachtoffers van de vliegramp in Tripoli, de schietpartij in Alphen aan den Rijn en de aanslag op Koninginnedag in Apeldoorn. In dat soort crisissituaties zijn de ruim 1.400 vrijwilligers en 350 betaalde krachten volgens directeur Harry Crielaars „op hun best”. Maar de buffers van Slachtofferhulp zijn in vier jaar tijd verdwenen, de uitdijende subsidiestroom van het ministerie van Veiligheid en Justitie (vorig jaar zestien miljoen euro) ten spijt. Een negatief eigen vermogen dreigt.

Vorige week stuurde de in december aangetreden Crielaars zijn medewerkers een brief. Boodschap: de reserves zijn nagenoeg op, we moeten per direct twee miljoen euro bezuinigen. Oorzaak? „De inrichting van de huidige financiële administratie maakt dat er op dit moment geen volledig sluitend beeld is over alle precieze oorzaken van het tekort.” Kort gezegd: het is financieel een janboel.

„We waren niet in control”, zegt Crielaars in een toelichting op het hoofdkantoor. „Toen we de problemen constateerden, duurde het twee weken voordat ik nadere cijfers ontving. Ik kon niet blind varen op de cijfers die ik kreeg. Het systeem was niet waterdicht.”

Voor het merendeel van de medewerkers moet de bezuinigingsmaatregel als een donderslag bij heldere hemel zijn gekomen, want in externe publicaties wordt met geen woord gerept van de penibele financiële situatie. „Een prachtige, volwassen organisatie”, noemt directeur Crielaars Slachtofferhulp Nederland in het laatste jaarverslag. Ook Jan Mans, voorzitter van de raad van toezicht, liet zich enkel lovend uit in jaarberichten. De raad van toezicht vond het kennelijk niet risicovol dat de voormalige directie het eigen vermogen vanaf 2007 aansprak voor hulp aan slachtoffers.

Dat was ooit een bewuste keuze. Gesubsidieerde organisaties mochten tot voor kort niet meer dan 10 procent van hun subsidies als vermogen aanhouden. Slachtofferhulp Nederland was in 2006 te rijk. Dus besloot de stichting onder leiding van toenmalig directeur Jaap Smit, die vorig jaar voorzitter van het CNV werd, om stelselmatig meer uit te geven dan er binnenkwam.

Tegelijk maakte Slachtofferhulp Nederland een spectaculaire groei door. De ene na de andere activiteit werd in het hoofdkantoor in Utrecht ontplooid. Zo biedt de organisatie niet alleen meer hulp na geweldsdelicten of verkeersongevallen, maar ook na rampen en calamiteiten. Slachtofferhulp organiseert sinds begin dit jaar ook lotgenotenbijeenkomsten. Voor het opleiden van medewerkers werd een heuse Slachtofferhulp Academie in het leven geroepen. Het chique kasteel De Essenburgh in Hierden, bij Harderwijk, is een van de locaties.

Smit wilde slachtofferhulp in Europa op de kaart zetten. Hij was jarenlang president van de Europese brancheorganisatie, die kantoor houdt bij Slachtofferhulp Nederland. Hij had megalomane trekjes, vertellen voormalig medewerkers die anoniem willen blijven. In interviews noemt de toenmalig directeur Slachtofferhulp Nederland „een volwaardige partner van politie en justitie in de strafrechtketen”. Tegelijkertijd geeft hij aan dat de snelle groei hem voor problemen stelt. „Ik voel me vaak een koorddanser”, zegt Smit in een vakblad. „Enerzijds moeten we voldoen aan hoge eisen en de kwaliteit van onze dienstverlening op een hoger peil krijgen (...). Anderzijds wordt het werk hoofdzakelijk gedaan door vrijwilligers.”

Veel vrijwilligers hebben moeite met de veranderingen. Werden zij vroeger overal voor ingezet, tegenwoordig nemen ‘casemanagers’ de meer gespecialiseerde taken voor hun rekening. Voormalig forensisch accountant Piet Scheres, die zes jaar vrijwilliger was in de regio Limburg, zag het met lede ogen aan. „De jaren voor mijn vertrek zag ik hoe vrijwilligers bij bosjes wegliepen. Dat had verschillende redenen, maar velen voelden zich niet meer thuis bij de organisatie. Slachtofferhulp groeide te snel. Leidinggevenden gaven weinig aansturing, er was een gebrek aan deskundigheid.”

De organisatie was volgens Scheres te veel op uitbreiding gericht. „Neem de juridische afdeling: die wordt groter gemaakt dan hij in werkelijkheid is. Alsof je een muziekschool tot conservatorium bombardeert. Of spreekt van een apotheker terwijl het om een drogist gaat.” Scheres waarschuwde zijn superieuren geen grote broek aan te trekken. Tevergeefs.

De juridische afdeling kwam er – en nam steeds meer hooi op de vork. In 2009 sloot Slachtofferhulp Nederland een samenwerkingsverband met het Verbond van Verzekeraars. De organisaties kwamen overeen dat Slachtofferhulp jaarlijks 1.500 mensen met een rechtsbijstandsverzekering helpt bij het invullen van voegingsformulieren, waarmee schade op de daders kan worden verhaald. „Een probleem”, zegt Scheres „want onze vrijwilligers konden de bestaande hoeveelheid werk al nauwelijks aan.”

Volgens directeur Crielaars kan Slachtofferhulp niet zonder een juridische afdeling. En geweldsdelicten, calamiteiten en verkeersongevallen beschouwt hij als „kerntaken”. Maar de lotgenotengroepen staan op de tocht. Resoluut: „We moeten consolideren. De tijd van ongebreidelde groei is voorbij.”

Voor CNV-voorzitter Smit komen de financiële perikelen bij zijn vorige werkgever als „een volslagen verrassing”. „Ik heb altijd de begroting gerealiseerd die ik aan de raad van toezicht voorlegde. Bij mij is het niet financieel uit de hand gelopen. Toen ik Slachtofferhulp verliet was het een financieel gezonde organisatie.”