Herentranen in de Royal Albert Hall

Sommige mensen hebben mazzel. Zo mocht ik vorige week mee naar de Royal Albert Hall in Londen. Daar was ik nog nooit binnen geweest, voor mij hoorde die koninklijke concertzaal bij The Beatles. In 1963 traden ze er al op. En op Sergeant Pepper’s zingt John Lennon in het laatste couplet van ‘A Day in the Life’: Now they know how many holes it takes to fill the Albert Hall… Nooit begrepen wat het betekende, maar het was lekker meegalmen.

En nu zit ik er zelf, op rood pluche onder een koepel vol gouden licht. Op het orgel wordt Bach gepompt, maar vanmorgen gaat het niet om muziek. Al klinken er nu trompetten, want de plechtigheid begint.

De hoogleraren van het Royal College of Art schrijden in cortège binnen, achter de pedel. Die heeft een rode baard. In Nederland zijn toga’s stijf en zwart, hier zijn ze wuft. Afgezet met hermelijn, sommige met uitvoerig borduursel. In het midden loopt de Nederlandse fotografe Rineke Dijkstra. Ook in zo’n toga van rood fluweel. Vanmorgen reikt het Royal College vier eredoctoraten uit. Eén is voor haar.

Het gezelschap neemt plaats op het podium. Achter hen wiebelen de studenten – vandaag studeren ze af. Bij de autoriteiten zit ook James Dyson, van die supersonische Dyson-stofzuiger. Alumnus en weldoener van het College.

Zweinstein, denk ik, Nimbus 2000. Dit is helemaal Harry Potter. En niemand doet lacherig, iedereen gaat er hoofs in mee. Tradities hebben zin, ik voel het hier. Ze verbinden levens die door een bijzondere gebeurtenis worden aangeraakt.

Er wordt gespeecht. Rineke Dijkstra wordt geroemd. Om de inspiratie die zij de studenten biedt, om haar portretkunst, om haar unieke, onmiskenbaar Nederlandse stijl: „From Rembrandt to Rineke”.

Ook de provost van het College, Sir Terence Conran, bijna 80, spreekt meermalen. Hij is een designer van wereldfaam. De man achter Habitat, de vormgever van de eerste winkel van Mary Quant, ontwerper van de interieurs van legendarische restaurants. Een van de afgestudeerde studenten geeft hij geen handdruk, maar een high five.

En af en toe is hij in tranen, die droogt hij met een grote witte zakdoek. Hij neemt vandaag afscheid. Het is duidelijk dat hij zich bij alles wat hij doet, realiseert: dit is de laatste keer. Uit zijn woorden blijkt een niet te stelpen hartstocht voor creativiteit. Zijn slotwoord klinkt. Hij eindigt het met: „I love the College. And I wish it...” Zijn stem breekt. Hij schept adem. Fluistert: …well.

Ik slik en ik ben de enige niet.

’s Middags in het museum Tate Modern beland ik in de zalen met het project van de Amerikaanse fotografe Taryn Simon: A Living Man Declared Dead and Other Chapters. Achttien drieluiken toont ze. Met achttien verhalen over gewone mensen en hun families, beheerst door fataal toeval: een doodverklaarde maar springlevende man in India, twee in bloedwraak verwikkelde families in Brazilië, de officiële dubbelganger van een zoon van Saddam Hussein, een Indiase vrouw, als zevenjarige ‘herkend’ als een godin; de 24 leden van een met een dodelijk virus besmette Australische konijnenfamilie.

Net als Dijkstra maakt Taryn Simon gebruik van de kracht van het portret en ook haar werk kost aandacht en tijd. Het linkerpaneel met subliem belichte, identieke portretjes komt tot leven door het lezen van de geschiedenis op het middenpaneel. Voor de rechterpanelen legde Simon accenten, met een foto van een wapen, een document, een man die een herinnering demonstreert. Secuur zet ze de ontroering op afstand. Even secuur slaan de feiten terug. Feiten bestaan bij gratie van gevoel, bewijst Taryn Simon.

Joyce roodnat