Geld, status en véél eten

Honderd jaar geleden kwamen de eerste Chinezen naar Nederland, als stokers en kolentremmers op de scheepvaart.

Vandaag vieren ze hun eeuwfeest in Amsterdam met een leeuwenoptocht. „Liever een klein baasje dan een grote knecht.”

Ning Wah Choy (links) in de Chinese gezelligheidsclub Wa Lai. Amsterdam, 5 juli 2011. foto MAARTEN VAN HAAFF

Drie Chinese karakters staan op het naambordje van de Stormsteeg bij de Amsterdamse Nieuwmarkt. „In het Chinees heet dit de Wind-mee-steeg”, zegt Hengko Dun (65), staand aan het raam van zijn toko Dun Yong aan de Gelderse Kade. ‘Wind mee’ is een Chinese heilswens voor reizigers. Met de oostenwind kwamen de eerste Chinezen honderd jaar geleden naar Nederland. Ze kwamen als stakingsbrekers.

In 1911 legde een wilde staking voor betere arbeidsomstandigheden de havens van Rotterdam en Amsterdam plat. Om hun stoomschepen in de vaart te houden haalden de rederijen goedkope Chinese stokers en kolentremmers naar Nederland. In Rotterdam streken ze neer op Katendrecht, in Amsterdam werden ze in eerste instantie ondergebracht in loodsen aan de Javakade.

Een van die stokers was Hengko’s vader, Tang Yung, in 1896 geboren in een dorp in Kanton. Hij klom op van stoker tot kok in restaurant China op het Rokin. Hij trouwde met de veel jongere Hollandse Stien – Chinese vrouwen waren niet voorhanden. Stien, Marietje, Anna, ze vielen voor de zachtaardige exotische Chinese heertjes in hun nette kostuum. Pas jaren later ontdekten ze dat hun mannen vaak al een gezin in China hadden, dat met regelmaat geld kreeg opgestuurd.

In 1959 begon Yung de eerste Chinese toko van de stad in een knoop jeswinkeltje aan de Gelderse Kade. Zijn koopwaar bestelde hij bij de Chinese bemanningsleden van de grote passagiersschepen die op Azië voeren. „Ze hadden hun hutten volgestouwd met handel”, zegt Hengko. „Dan kwam er een vrachtwagen bij ons voorrijden met twintig Chinezen bovenop gedroogd goed uit Singapore. Daar kon je behoorlijk winst op maken.”

Inmiddels beslaat Toko Dun de hele Stormsteeg, van de Gelderse Kade naar de Zeedijk. Vijf etages Aziatische leeftocht, specerijen, chinoiserieën, leeuwenkoppen, lampionnen en grote restaurantpannen voor pekingeend en dimsum. De familiezaak is inmiddels in handen van Hengko’s oudste zoon.

Aan de overkant van de kade ligt de Binnen Bantammerstraat. In de vorige eeuw bestond dat hele straatje uit Chinese boarding houses, opiumkits, gokhuizen en restaurants. De boarding houses werden gerund door machtige shipping masters, die bepaalden wie op welke boot mocht aanmonsteren. In de jaren 20 werd hier een oorlog uitgevochten tussen Chinese triades, geheime genootschappen die elkaar de macht in de buurt betwistten. Daarbij vielen doden. Hengko’s vader heeft het allemaal meegemaakt, maar hij was een zwijgzaam man.

In Hengko’s jeugd ging het er gemoedelijker aan toe. In de buurt woonden tientallen halfbloedkinderen met Chinese vaders. „Pinda, pinda, poep-Chinees”, riepen de Hollandse kinderen hen na, vanwege de talloze Chinese ‘pindamannetjes’ die met de verkoop van pinda’s probeerden rond te komen. Het deerde Hengko niet, hij reed op zijn autoped door de Binnen Bantammer. „Die groezelige boarding houses met hun weeïge opiumlucht vergeet je nooit meer. Oude Chinezen lagen op stapelbedden met lange pijpen opium te schuiven. Dat werd gedoogd. De Chinezen gaven geen overlast.”

De overlast kwam in de jaren 70, toen een nieuwe generatie Chinezen de heroïne naar Nederland bracht. „Dat waren gangs uit Singapore en Engeland, die met schiet- en moordpartijen onderling de markt verdeelden. Op tafel in de boarding houses stonden potjes met bruine korrels. De politie dacht eerst dat het bruine suiker was. Later werden de gokhuizen gesloten en veel Chinezen werden gedeporteerd. De handel ging over in Turkse handen.”

Nederland telt nu meer dan 100.000 Chinezen. Na de stakingsbrekers van 1911 kwam met de crisis de klad in de scheepvaart. Toen ontstonden de restaurants, die generaties Chinezen middelen van bestaan hebben gegeven. Hele dorpen kwamen naar Nederland. Van 1949 tot 1978 zat communistisch China potdicht, toen kwamen de Chinezen uit (Brits) Hong Kong. Vanaf de jaren 90 zwol de stroom asielzoekers en illegale immigranten aan, die met behulp van ‘slangenkoppen’ (mensensmokkelaars) de oversteek waagden. De laatste golf bestaat vooral uit studenten en kenniswerkers.

Hoewel 80 procent van de in Nederland geboren Chinezen pa en ma geholpen heeft in het familierestaurant, is de tweede generatie alle kanten opgevlogen. Communicatieadviseur Chang Wong (44) ziet ze voorbijkomen. Hij is voorzitter van de Dragons Businessclub, een netwerk van Chinezen en Nederlanders die zaken willen doen in Nederland en China. Ook Wong moest vanaf zijn twaalfde afwassen, satéprikken, kroepoek bakken. Zijn spartaanse opvoeding heeft hem gevormd en geholpen, zegt Wong. „Chinezen hebben het zakendoen in de genen. Dat is Confucius: hard werken en geld verdienen is een deugd. Wij zijn optimistisch en opportunistisch tegelijk. Na de Culturele Revolutie mochten boeren in China voor het eerst land kopen. In plaats van dat te bebouwen, zetten ze er flatgebouwen neer voor de verhuur. Dat bracht meer op.”

Ning Wah Choy (59) is net als Hengko een kind van een Chinese vader en een Nederlandse moeder. Haar vader Yip Pang kwam in de jaren 30 naar Nederland en ging als kelner werken bij restaurant Taiton aan de Vijzelstraat. „Mijn moeder Annie was daar klant”, vertelt ze in het Chinese buurthuis Wa Lai in de Pijp. „Ze is niet mooi, maar ze is wel lief, schreef mijn vader naar huis. Als bruidschat schonk opa haar lycheeboomgaarden.”

Yip Pang kwam uit een familie van welvarende grootgrondbezitters. „Mijn vader was charmant. Hij schreef gedichten, kon prachtig kalligraferen. Hij liep altijd in pak.” In 1946 begon hij restaurant China op het Rokin. Hij was geen makkelijke man, hard voor zijn personeel. „Mijn erudiete moeder kwam uit een feministisch nest. Ze dacht dat alle Chinese mannen Confucius-achtige filosofen waren. Maar China bestond voor 99 procent uit arme boeren, dus voor Chinezen draait alles om geld, status en véél eten.” Op een nacht hoorde Ning Wah haar vader huilen. De communisten hadden haar opa geëxecuteerd.

Prachtig vond Ning Wah als kind de gokhuizen van de Binnen Bantammer. „Allemaal mannen met geld om een grote tafel. Het zag er blauw van de rook. Als iemand gewonnen had, kreeg ik een geeltje in mijn hand gedrukt. Dan ging ik naar de Zeedijk om een broodje bapao te kopen.” In de jaren 70 werd het link. Succesvolle restauranthouders werden afgeperst door de triades uit Hong Kong. „Mijn vader hield van een gokje. Ook hij werd bedreigd. Van die groep is bijna iedereen doodgeschoten.”

Hengko Dun neemt me mee naar de Chinese club aan de Recht Boomssloot. Ketsende mahjongstenen en koppen thee. Ome Lau (90) – bruin pak, strooien hoedje – is op zijn scootmobiel uit de Bijlmer aan komen tuffen. Visser Shiu Wo Lau uit Kanton kwam na de oorlog per boot naar Antwerpen. De communisten hadden de zee afgesloten. Toen kon hij niet meer vissen.

Voor 1.000 Belgische francs werd Lau de Nederlandse grens over gesmokkeld. Hij ging als kok werken bij Kong Hing in de Binnen Bantammer. Hij had heimwee, maar zijn vrouw in China zei: blijf daar, hier is geen werk. „Ik vond het koud, het eten was niet lekker, er was geen levende vis, alleen maar dooie!” Vijf keer ging hij terug naar China. Het was geen succes. Hij kende niemand meer.

Hengko ging op zijn 22ste een jaar naar Hong Kong om Chinees te leren. Hij vond er zijn vrouw. Hij is trots op China. „Dáár gaat het de komende vijftig jaar gebeuren! Chinezen zijn een heel happy volk, open, vriendelijk. Ze werken keihard. Mijn vader was een succesverhaal: van kolenschepper tot gegoede middenstander.” Ook Ning Wah, die 22 jaar als geschiedenisleraar heeft gewerkt, houdt van de Chinese mentaliteit. „Mijn vader zei vroeger altijd: liever een klein baasje dan een grote knecht.”