Even gebeurt er niets, en dan: wolken, vuur, lawaai

Het was een historische dag op het Kennedy Space Center. De laatste lancering van Space Shuttle Atlantis. „Amerika zal voortbouwen op de shuttle!”

„Go for main engine start!” Vijf kilometer verderop slaan de raketmotoren aan van de Space Shuttle, die er vanaf het lanceerplatform uitziet als een speelgoedraketje. Publiek en pers in het zompige grasveld bij Kennedy Space Center beginnen te joelen, te klappen, en af te tellen. Ten, nine, eight...

Bij zero lijkt er even niets te gebeuren.

Dan verschijnen er grijze wolken vanonder de shuttle, en komt de Space Shuttle traag naar boven op een felgele zuil van vuur. Weer klinkt er gejoel, de camera’s klikken. „Lift-off! De laatste lancering van Atlantis – Amerika zal voortbouwen op de shuttle!”, schalt de stem van de commentator.

Eerst is er alleen een zacht gerommel en een trillend buikgevoel, dan zwelt de herrie aan, tot een oorverdovend gebrul. De enorme grijze wolkenzuil is nu al vele keren groter dan de shuttle erbovenop, die steeds sneller omhoog klimt. Na veertig seconden prikt hij door het lage wolkendek en is hij verdwenen. Opnieuw klinkt er gejoel en applaus.

Het lijkt erop dat de vlucht STS-135, de allerlaatste Shuttle-vlucht, veilig onderweg is. Zondag zal de shuttle, met vier Amerikanen aan boord, aanmeren bij het internationaal ruimtestation ISS.

De belangrijkste lading in de Shuttle is een Multi Purpose Logistics Module, een krat volgeladen met voorraden, apparatuur en wetenschappelijke experimenten. Verder vliegt er een 3,7 kilo zware minisatelliet mee, en een module voor experimenten met het bijtanken van satellieten.

Maar dit wat alledaagse ruimteboodschappenlijstje doet nauwelijks recht aan de betekenis van deze historische vlucht, de laatste van het Space Shuttle-programma, waarna de Amerikanen voor het eerst in dertig jaar geen bemande toegang tot de ruimte hebben. Of de lancering door zou gaan bleef tot het laatste moment onduidelijk. Dit keer niet door technische problemen, maar wegens tropische regen- en onweersbuien.

NASA verwachtte meer dan 500.000 toeschouwers uit binnen- en buitenland. Er waren files op alle wegen rond Merritt Island in het noordoosten van Florida, waar Kennedy Space Center gevestigd is. Hotelkamers zijn twee tot drie keer zo duur als normaal.

„Er komen nog steeds bussen aan”, zegt Jan Morten Birg, vlak voor de lancering. Birg is een ruimtefanaat, die vanuit Noorwegen naar Florida is afgereisd. „Bij de vorige vlucht heb ik het ook geprobeerd, maar die werd uitgesteld en toen moest ik weer naar huis.” Na de lancering is hij uitgelaten. „Magnificent!”, vond hij de lancering, „het was echt iedere minuut in vliegtuigen en bussen waard.”

Het is ook een moeilijke dag voor de ‘Space Coast’: de steden Titusville, Cocoa en Rockledge rond het Kennedy Space Center. Twee jaar geleden, toen het Space Shuttle-programma nog op volle kracht was, werkten hier nog twaalfduizend mensen. Nu zijn dat er 6.700 en over een jaar zullen het er nog maar duizend zijn.

Over de opvolger van de Shuttle, het Space Launch System, is maar weinig bekend, al doen aangekondigde bezuinigingen van 1,9 miljard dollar op NASA weinig goeds vermoeden. Mensen vertrekken uit Titusville, huizen zijn onverkoopbaar. In maart sprong een depressieve NASA-ingenieur die zijn baan zou verliezen van de lanceertoren.

Mike Moses, launch integration manager bij NASA, vertelt na de lancering over een probleem met de afdichtarm van de tank, dat werd opgelost 58 seconden voor de kans op lancering voorbij was. Daarna keek Moses toe hoe de Shuttle de lucht in ging. „Het was alsof het in slow motion was. Toen ik later die staande wolk zag, die al naar het noorden begon te waaien, realiseerde ik me: dit was echt de laatste keer.”

De laatste vlucht: Economie & Wetenschap, pagina 14-15