Zij gaan de politie trainen in Kunduz en Kabul

Nederlanders gaan politie in Afghanistan trainen.

Minister Rosenthal noemt de missie naar Kunduz „verantwoord”. Maar er moeten wel 4 F-16’s mee.

Schiphol 06-07-2011. Gwen Loontjens, politieagente die naar Afghanistan gaat voor de omstreden politetrainingsmissie. Foto: Olivier Middendorp

Hoeveel politieagenten zijn er nodig om een militaire exercitie tot civiele politietrainingsmissie te bestempelen? Het lijkt zo eenvoudig als het indraaien van een lamp: van de Nederlandse politiefunctionarissen die gisteren in Afghanistan zijn aangekomen, reist er welgeteld één door naar de noordelijke provincie Kunduz.

Die ene agent krijgt wel gezelschap van twee anderen die al langer in Kabul zaten, en uiteindelijk van nog twaalf collega’s, maar vooral van een paar honderd Nederlandse militairen. Het is defensiepersoneel dat de politietrainingsmissie, waar de Tweede Kamer in januari mee instemde, draagt. Met hun vertrek gisteren vanaf de luchtbasis Eindhoven is het tweede grote Nederlandse avontuur in Afghanistan officieel begonnen.

De nieuwe civiele missie heet voluit de ‘geïntegreerde politietrainingsmissie’, maar er is weinig civiel of geïntegreerd aan. Het is namelijk niet de gewone politie, maar de militaire politie, de marechaussee, die tot 2014 in de straten van Kunduz-stad lokale agenten gaat begeleiden in hun politiewerk. Zij gaan helpen bij het bemannen van politiebureaus, bij het schrijven van bonnen, het behandelen van aangiften, het patrouilleren, het arresteren en het omgaan met aanslagen.

De 15 civiele politietrainers die uiteindelijk in Kunduz aan de slag zullen gaan, mogen de basis helemaal niet verlaten. Zij gaan op het Duitse kamp in de noordelijke provincie hoge politieambtenaren bijscholen. Datzelfde werk doen 25 andere politietrainers, de meerderheid van de civiele component, in de hoofdstad Kabul.

Hoe gaan de marechaussees te werk? Het noorden van Afghanistan, waar Kunduz ligt, heet wel veel veiliger te zijn dan het zuiden, maar de Nederlandse marechaussees kunnen er niet zomaar met de Afghaanse agenten over straat. Juist hoogwaardigheidsbekleders en politiefunctionarissen zijn in Kunduz mikpunt van aanslagen. Zeker als ze openlijk met westerlingen samenwerken.

De marechaussees worden daarom goed beschermd: voor iedere twee marechaussees die buiten de poort werken, gaan negen landmachtmilitairen mee om hen te beschermen. Zij mogen terugschieten als ze worden aangevallen, maar zich niet mengen in „enigerlei offensieve militaire activiteiten”. Dat heeft het kabinet de Kamer beloofd.

De landmachtmilitairen die meegaan met de marechaussees worden op hun beurt weer beschermd door vier Nederlandse F-16’s. De jachtvliegtuigen bieden luchtsteun aan de Nederlandse troepen op de grond.

In het uiterste geval kan de hulp worden ingeroepen van de Duitse militairen die de NAVO-troepen in het noorden van Afghanistan leiden. Maar andersom mogen de internationale partners niet de Nederlandse F-16’s om hulp vragen, behalve als die toevallig al in de lucht zijn voor een andere opdracht.

Minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) noemde de risico’s van de missie deze week „verantwoord”. Maar uit de overdadige bescherming blijkt dat het leger Kunduz als behoorlijk onveilig inschat.

In hoeverre de civiele politieagenten gaan samenwerken met de militairen, valt nog te bezien. De landmacht, luchtmacht en marechaussee opereren onder het mandaat van de NAVO. De politieagenten, in Kunduz en Kabul, vallen onder de European Police Mission (EUPOL). Zij leiden totaal andere mensen op: het topkader van de nationale politie. De marechaussee richt zich juist op de ondergeschikte, vaak analfabete, agenten en nieuwe rekruten.

De Nederlandse missie is dus vooral militair. Minister Hillen (Defensie, CDA) zei vorige week nog af te willen van de rol van ontwikkelingswerkers die het leger steeds vaker krijgt toebedeeld. Militairen moeten vechten, geen waterputten slaan. Misschien om Nederland alvast te waarschuwen dat zij toch gaan vechten in Kunduz. Bij het afscheid van de militairen gisteren, benadrukte hij dat zij „geen makkelijke klus” tegemoet gaan.

De grote vraag is hoe vredelievend de nieuwe missie kan zijn in een land dat door oorlog is verscheurd. Toen in 2006 de missie in Uruzgan begon, werd deze gepresenteerd als een ‘opbouwmissie’. Nederlanders gingen naar Afghanistan om de vrede te bewaren. Die vrede is er nog lang niet; 24 militairen keerden niet levend terug.