Voor de papegaai

Lezers denken weleens dat ik van andere lezers louter aangename, bemoedigende reacties op mijn columns krijg. Klein misverstand. Gelukkig krijg ik zulke reacties, maar het komt ook voor dat iemand mijn zelfvertrouwen probeert te ondermijnen met een genadeloze analyse.

Zo kreeg ik onlangs een opvallend boos briefje van een mevrouw uit Heemstede, nota bene een plaats die ik altijd een warm hart heb toegedragen omdat mijn vader er opgegroeid is. Ze reageerde op een ‘banaal stukje’ dat ik geschreven had over een 63-jarige vrouw die haar nog gezonde katten van 12 en 13 jaar wilde laten inslapen omdat ze haar steeds meer last bezorgden.

„Katten zijn onbetrouwbaar”, schreef mijn briefschrijfster, „en roven zangvogeltjes in onze tuinen. Ze worden door hun idolate bazen al vertroeteld, en nóg moeten ze vogeltjes doden. Bah! Ik las uw stukjes – behalve die over katten – vaak met plezier. Nu niet meer. Een zó dweepziek en overdreven aanhanger van die sluipmoordenaars staat me tegen, en heeft voor mij afgedaan.”

Goeie God, daar kon ik het even mee doen.

Haar brief was toevallig ook nog gedateerd op mijn verjaardag, wat een extra wond sloeg. Ook toen ik deze brief na een paar dagen moeizaam verwerkt had, bleef ik nog een poosje meewarig naar mijn poes kijken, die sluipmoordenares waar ik een dweepzieke aanhanger van was. Zangvogeltjes roven in de tuinen, dat zou ze wel willen. Maar ze mag de tuinen niet in en bovendien zitten daar geen bevallige zangvogeltjes, alleen vale, chagrijnig koerende duiven.

Dit klinkt te veel als een verontschuldiging, ik weet heel goed dat katten van vogels houden, net als sommige mensen trouwens (duiven, patrijzen, fazanten).

Elke lezer is er tegenwoordig één. Dat weet u als u de aanbiedingen ziet waarmee de kranten lezers proberen binnen te lokken. Daarom raakt zo’n brief een zenuw, zeker bij een dagelijkse stukjesschrijver van wie verwacht mag worden dat hij lezers binnenhaalt – en niet afstoot. Die mevrouw stond al met één been buiten, dat was duidelijk. Ik schreef slijmerige stukjes over smerige beesten. Een tijd lang had ze het door de vingers gezien, maar ik was nu te ver gegaan. Wég met die slappeling.

Wat was haar volgende stap? Zou ze de krant opzeggen? Ik moest iets doen, maar wat? Toen schoot een vriendin uit Canada mij, zonder het te beseffen, te hulp. Ze reageerde op een stukje dat ik over de Stichting AAP in Almere, opvangcentrum voor getraumatiseerde dieren, geschreven had. Wist ik wel dat er aan de Canadese westkust ook zo iets bestond, niet voor apen en kleine zoogdieren, laat staan voor katten, maar wél voor papegaaien? Nee, dat wist ik niet.

Een zekere Wendy Huntbatch heeft een groot tehuis voor 700 verwaarloosde papegaaien opgezet: The World Parrot Refuge (zie de website www.worldparrotrefuge.org). Omdat papegaaien zo oud kunnen worden – ruim 70 jaar – komen ze vaak alleen te staan als hun baasjes sterven. De kinderen van die baasjes willen best wat erven, maar liever geen mummelende papegaai, ze waren misschien wel juist blij dat ze van dat andere gemummel af waren.

Wendy komt geld tekort voor haar papegaaien. Ze heeft uitgerekend dat ze het redt met 2.500 donateurs die maandelijks 10 dollar overmaken. Ik breng het verzoek graag over, vooral om bij die mevrouw uit Heemstede weer een beetje in ’t gevlij te komen.

En mag ik dan nu op vakantie? Ik durf het nauwelijks te vragen.