Volle gevangenissen kosten de samenleving geld

De onderbuik roept om strenger straffen. Dat pakt duur uit voor de samenleving.

Voor slachtoffer en dader zijn er betere alternatieven.

Staatssecretaris Teeven wil criminelen harder straffen. Hij bekrachtigt dit met voorstellen als het invoeren van minimumstraffen in gevallen van recidive, het afschaffen van de verjaringstermijn voor zware misdrijven en het verhogen van maximale jeugddetentie van twee naar vier jaar.

Deze maatregelen komen voort uit een drang naar vergelding en een roep van het volk om hardere straffen. Maar weet staatssecretaris Teeven wel wat het volk wil?

De vraag naar strengere straffen berust meer op een onderbuikgevoel dan op kennis van zaken. Verschillende onderzoeken hebben aangetoond dat wanneer je mensen dezelfde feiten voorlegt als rechters, zij over het algemeen even hoge of zelfs lagere straffen voorstellen.

Dit is niet vreemd, want zaken zijn niet zo zwart-wit als ze in de krant worden gepresenteerd, terwijl het onderbuikgevoel beïnvloed wordt door de media. In de krant of op tv is er meestal een duidelijke grens tussen dader en slachtoffer, terwijl die in de rechtbank soms moeilijker te onderscheiden is. Oftewel, elke dader heeft zijn eigen verhaal.

Een eerste reactie op een gevangenisstraf van twaalf jaar voor een ernstig misdrijf is vaak dat dit ‘te laag’ is. Ervan uitgaande dat iemand minstens tweederde van zijn straf uitzit, komt dit neer op acht jaar in detentie. Acht jaar is lang, zeker als je opgesloten zit, terwijl de wereld buiten verder gaat zonder jou. Terwijl je kinderen opgroeien en je partner je misschien verlaat. Als je na acht jaar dan weer vrij komt, voel jij je misschien niet veel ouder, maar zijn de mensen om je heen niet meer hetzelfde als je ze achterliet. De maatschappij is ook veranderd; technieken zijn bijvoorbeeld verder ontwikkeld.

Een gevangenisstraf neemt daders vaak veel meer af dan hun vrijheid, zoals hun baan, hun huis en hun familie. Juist dit zijn factoren die positief kunnen bijdragen aan iemands rehabilitatie. Een gevangenis is op zichzelf geen omgeving waar je snel vaardigheden zult leren die je positief in de maatschappij kunt aanwenden (om van de ‘criminele vaardigheden’ nog maar niet te spreken). De kans op een succesvolle terugkeer in de samenleving is niet zo groot als mensen uit de gevangenis komen. Juist daarom is het belangrijk om de gevangenis niet te versoberen – zoals staatssecretaris Teeven heeft voorgesteld – door gedetineerden die zich slecht aanpassen de mogelijkheden bijvoorbeeld werk te ontnemen.

Dan zijn er nog de financiële gevolgen van een uitdijende gevangenispopulatie. Een gevangenisstraf kost de overheid veel meer geld dan alternatieve straffen. En in combinatie met wat deze straffen de maatschappij opleveren, komt ‘strenger straffen’ weer niet als beste uit de bus.

We kunnen ons beter concentreren op het verbeteren van de terugkeer in de maatschappij dan op het langer opsluiten. Taakstraffen zijn een goed en goedkoper alternatief als je kijkt naar de kans op herhaling, maar ook naar het potentieel hiervan om de dader te laten boeten.

Een alternatief dat in Nederland verder onderzocht zou kunnen worden is herstelrecht. Daarbij staat het slachtoffer centraal en draait het om herstel van schade en bemiddeling tussen dader en slachtoffer. Een evaluatie van meerdere onderzoeken heeft aangetoond dat slachtoffers erg tevreden zijn over deze bemiddeling en dat ze het gebeurde daarna beter kunnen verwerken. En het pakt ook voor de dader en maatschappij goed uit, omdat het de kans op herhaling lijkt te verlagen.

Mijn hoop is dat politici afstand nemen van populistische retoriek. Begrip voor slachtoffer én dader is nodig om de onderliggende problemen te doorzien en aan te pakken.

Esther van Ginneken doet promotieonderzoek aan het Institute of Criminology van de Cambridge University.