Plannen geeft rust, maar leidt tot afstel

Wie nog veel moet doen, raakt snel afgeleid en maakt meer fouten. Een goed plan geeft rust, maar het gevaar bestaat dat het bij dat plan blijft.

Het idee dat je nog iets moet doen, kan enorm afleiden. Meestal blijft het in je hoofd rondzeuren totdat je het hebt gedaan; dan pas kun je je weer goed concentreren. Maar naar nu blijkt, helpt het ook al als je er een plan voor maakt. Dan verdwijnen ook die opdringerige gedachten, tonen Amerikaanse psychologen aan in een artikel dat binnenkort gepubliceerd wordt in Journal of Personality and Social Psychology – en dan kunnen mensen zich weer prima op iets anders richten. Nadeel is wel, schrijven de psychologen, dat het maken van een plan het hoofd zo effectief leegmaakt, dat mensen kunnen vergeten dat ze het plan in kwestie ook nog moeten uitvoeren.

Dat onafgemaakte projecten zich hinderlijk aan een mens kunnen opdringen, zal iedereen wel herkennen. Psychologen noemen dat het Zeigarnik-effect, naar de Russische psycholoog Bluma Zeigarnik die er in 1927 voor het eerst over publiceerde (in het Duits, in Psychologische Forschung). Hij beschreef toen hoe mensen projecten die ze niet hebben afgerond beter onthouden dan projecten die ze wél hebben afgerond. Dat was voorzichtig uitgedrukt.

Mensen bij wie een nog onafgemaakte taak in het hoofd rondspookt, kunnen hun aandacht slechter op iets anders richten. Ze maken fouten en dwalen af.

Dat blijkt ook weer uit het nieuwe onderzoek van de Amerikanen, E.J. Masicampo en Roy Baumeister van Florida State University. Zij vroegen hun proefpersonen dingen te beschrijven die ze de komende dagen dringend moesten afmaken en waarvan ze niet wisten wanneer ze dat zouden doen. De helft kreeg daarna de opdracht er een gedetailleerd plan voor te schrijven. Die groep kon vervolgens rustig een verhaal lezen en er vragen over beantwoorden, maar bij de proefpersonen die geen plan hadden gemaakt, dwaalden de gedachten veel vaker af. In een ander experiment bleek dat mensen die een plan hadden gemaakt daarna veel meer anagrammen konden oplossen dan mensen die geen plan hadden gemaakt. Anagrammen oplossen vereist aandacht; wie voelt dat hij nog iets anders moet doen, kan zich er niet goed op concentreren.

De psychologen toonden ook aan dat bij mensen die zichzelf een doel hebben gesteld, zoals een examen halen, dat doel voortdurend in hun gedachten aanwezig is – behalve als ze er een specifiek uitvoerplan voor hadden opgesteld: dán ga ik leren. Zonder leerplan voor hun eerstvolgende tentamen maken studenten woordpuzzeltjes als ex__ en gra_e vaak af tot exam (tentamen) en grade (cijfer, beoordeling), mét leerplan doen ze dat minder vaak. Dan denken ze er niet meer zo veel aan.

En daar ligt het gevaar: als mensen eenmaal een plan hebben gemaakt, kan dat ervoor zorgen dat ze hun doel vergeten. Die vervelende, opdringerige gedachten aan iets onafgemaakts dienen volgens de onderzoekers juist om mensen aan hun plan te herinneren. Als dat niet gebeurt, komt het misschien nooit af. Zoiets lijkt op wat eerder was gevonden: mensen die willen afvallen krijgen meer zin in ongezond eten, als ze zich de toekomst te zonnig voorstellen en zich inbeelden dat ze goed gesport hebben.

Volgens Masicampo en Baumeister is het wel goed als mensen wel optimistisch zijn over hun plan, maar niet op het uitgevoerd hebben daarvan. Richt je op de reis, niet op de bestemming, zou je kunnen zeggen. Mensen moeten bewust en expliciet formuleren hoe een plan moet worden uitgevoerd – ‘als ik vrijdag uit mijn werk kom, dan ga ik meteen hardlopen’. Dan weet ons onbewuste tenminste hoe precies het verder moet gaan en valt het ons niet meer lastig, aldus de onderzoekers.