Meestal waaide een westenwind

Tot 1989 deed architectonisch gezien alleen het westen van Europa er toe. Een grondige studie belicht nu ook het oosten en toont overeenkomsten en wisselwerkingen aan.

Hans Ibelings: Europese architectuur vanaf 1890. SUN, 238 blz. € 34,50

Architectuur, Europa en de 20ste eeuw zijn de drie grenzen van het gebied waarbinnen het nieuwe boek van architectuurhistoricus Hans Ibelings zich afspeelt. Het boek heet Europese architectuur vanaf 1890 en de ondertitel had ‘Reizen door de 20ste eeuw’ kunnen luiden, dezelfde ondertitel die In Europa van Geert Mak meekreeg.

Het is opvallend hoe vaak Ibelings en Mak elkaar op hun Europese reizen tegenkomen. Niet alleen in de hoofdsteden, in Londen, Parijs, Berlijn, Moskou, Madrid, Stockholm, Warschau, Boekarest, Tallinn of Amsterdam, ook in Nanterre, Riga, Volgograd, Dresden, Wroclaw, Pristina, Split, Vilnius of Doueaumont lopen zij elkaar tegen het lijf.

Bij Mak spelen de plaatsen een rol in de historische verhalen over oorlogen, opstanden, staatsgrepen, verscheurdheid, ontheemding, armoede, hoop en vrees die hem op zijn Europese omzwervingen zijn toevertrouwd. Zijn vertellingen hebben mensen als leidraad.

Bij Ibelings draait het om gebouwen. Hij vindt in dezelfde plaatsen voorbeelden van ‘gebouwde architectuur’ aan de hand waarvan hij parallellen, overeenkomsten en wisselwerkingen in de architectuurgeschiedenis van West- en Oost-Europa aantoont.

In de bestaande geschiedschrijving van de architectuur betekent ‘Europa’ vooral het westelijk deel van het continent. Behalve in monografieën, bijvoorbeeld over het functionalisme dat in Tsjechoslowakije, Hongarije, Roemenië, Polen en Rusland ook van enige betekenis is geweest, komt het gebied ten oosten van het voormalige IJzeren Gordijn er in overzichten van 20ste-eeuwse bouwkunst altijd bekaaid af.

Hans Ibelings doet met dit boek een bewonderenswaardige poging om het complete Europese architectuurbeeld recht te zetten. Voor zijn tour de force moet hij tegenwicht in Oost-Europa verzamelen. Op zijn vondstenrijke tocht door het Europese midden- en verre oosten ontmoet hij gebouwen van bijzondere of karakteristieke architectuur die hij relateert aan westerse projecten of stijlverschijnselen.

Hij ontdekt, bijvoorbeeld, dat de zwevende tribunes van het stadion in Split (1976-1979, architect Boris Magas), evenzeer de grenzen van het constructief mogelijke verkennen als het werk van de wereldberoemde constructeurs Pier Luigi Nervi en Frei Otto. Hetzelfde geldt voor de ‘vervaarlijk uitkragende massa’s’ van het sport- en recreatiecentrum 25 Mei (1973, architect Ivan Antic) in Belgrado en ook voor de uiterst dunne schaalconstructie van een strandwachtpost op het eiland Rügen in het noorden van de voormalige DDR, in 1968 ontworpen door Ulrich Müther.

Zo wordt met talloze individuele bouwwerken de stelling van Ibelings geïllustreerd ‘dat er voor bijna elk project aan de ene zijde van het IJzeren Gordijn een verwant, vergelijkbaar of equivalent project aan de andere zijde is te vinden’.

De chronologie van de tijd verraadt dat nieuwe ideeën en ontwikkelingen altijd van het westen naar het oosten werden geblazen. Dat was in principe ook met stijlen zo, hoewel sommige stijlen zich als een ‘pan-Europees verschijnsel’ (Ibelings) aandienen.

De art nouveau in Frankrijk en België, Jugendstil in Duitsland, Liberty in Engeland, Secession in Oostenrijk, stile floreale in Italië, modernismo in Catalonië, in Nederland, voor zover we niet het Franse of Duitse begrip gebruiken, de nieuwe kunst of, lichtvoetig, slaoliestijl, hing rond 1900 in de Europese lucht en hoefde alleen maar neer te dalen. Dat gebeurde in 1895 op een seintje van Siegfried Bing die in dat jaar in Parijs de kunsthandel ‘Maison de l’art nouveau’ opende.

Sierlijke trekken

In de meeste Europese landen zijn de sierlijke trekken van de art nouveau terug te vinden in de zogenaamde ‘nationale romantiek’. De voorbeelden die Ibelings van deze stijl verzamelde, vormen samen de interessantste en meest karaktervolle gebouwencollectie in zijn boek.

Dat komt omdat architectuur met nationale en regionale elementen de taal spreekt van het land, zoals in Roemenië het raadhuis van Buzau (1896, architect Alexandru Savulescu) en het raadhuis van Craiova (1916, Ion Mincu en C. Iotzu), in Hongarije het Cifrapaleis in Kescskemet (1902, Márkus Géza), in Polen de bouwkunst van Stanislaw Witkiewicz (Villa Koliba, 1894, en Villa Pod Jedlami, Zakopane, 1897), in Moskou het Yaroslav-treinstation (1902-1904) ontworpen door Fjodor Sjechtel en in Portugal Casa dos Patudos in Alpiarca (1905, Raul Lino). In Tsjechië ontpopte Jan Kotera zich tot architect van de nationale romantiek met onder meer Villa Kotera in Chruddim (1907) en het Stedelijk Museum in Hradec Králové (1912).

Alleen al uit dit rijtje onbekende namen en gebouwen blijkt het pionierswerk dat Hans Ibelings met zijn boek heeft verricht.

Van alle gebouwen wordt niet meer dan één plaatje getoond, van het formaat van een grote postzegel – voor details heb je een loep nodig. Dat hindert niet. Dankzij het enorme aantal kleine plaatjes van veelal onbekend werk is Europese architectuur vanaf 1890 ook visueel aantrekkelijk en spannend omdat je voortdurend tot vergelijken wordt aangezet. Zo kan je vast stellen dat Huis Fingov in Sofia (1907, Georgi Fingov) in charme niet onderdoet voor Villa Les Glycines in Nancy (1902-1904) van architect Emile André.

Met zijn, hier en daar té, doorwrochte tekst pakt Hans Ibelings alle onderdelen van de 20ste- eeuwse Europese architectuur zorgvuldig in woorden in. Hij houdt zich daarbij aan het chronologisch verloop van stromingen en bewegingen.

De te bewijzen samenhang in de Europese architectuur – geformuleerde ambitie van het boek -– begint bij het publieke karakter ervan. In tegenstelling tot de Amerikaanse architectuur die voor een groot deel aan private middelen te danken is, zijn in Europa overheden en publieke instituties belangrijke opdrachtgevers en is de burger de voornaamste gebruiker van architectuur.

Dat de architectuur in dienst staat van de samenleving is een overtuiging die leeft bij democratische zowel als bij autoritair ingerichte staten. Ziekenhuizen, bibliotheken, scholen, raadhuizen, stations, musea en andere publieke gebouwen vormen naast woningbouw en de inrichting van de openbare ruimte, een hoofdbestanddeel van de architectonische en stedenbouwkundige productie. Voeg daarbij de architectonische betekenis voor het publieke domein van winkels, warenhuizen en bedrijfspanden en het is duidelijk dat het overgrote deel van de gebouwde omgeving kan worden gezien als ‘publieke architectuur’, zo betoogt Ibelings.

Brutalisme

Met deze publieke architectuur voor ogen reizen we door het 20ste-eeuwse Europa, dwars door de avant-garde bewegingen in oost en west, het modernisme, het brutalisme, het structuralisme, de hightech en het postmodernisme.

In het decennium na de Tweede Wereldoorlog verstoren, aan de oostkant van het IJzeren Gordijn, prestigeprojecten in de monumentaal- klassieke stijl van het socialistisch realisme, het beeld van de pan-Europese architectuur. Na de dood van Stalin in 1953 verwatert het socialistisch realisme en krijgt in alle socialistische landen de industrialisatie van de bouw de overhand met de daarbij behorende rationaliteit en functionaliteit.

De samenhang in de Europese architectuur keert langzaam terug met uitzondering van Albanië en Roemenië. Armoede en de dictatuur van Enver Hoxa maken van Albanië een derde wereldland en in Roemenië volgt in de jaren zeventig Nicolae Ceausescu een geheel eigen architectuurpolitiek geïnspireerd op de monumentaliteit van de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang.

Na 1989 krijgt groeiende internationalisering en uiteindelijk globalisering vat op de architectuur van het nu ongedeelde Europa. Twintig jaar later stralen de internationale architectuursterren overal in het westen en het oosten. De Europese architectuur is volledig homogeen geworden en dat is meer dan een pan-Europees verschijnsel.

Hans Ibelings heeft de eeuwlange voorgeschiedenis grondig en voortreffelijk gedocumenteerd beschreven.