Lonesome cowboy met folksoulhart

Jonathan Jeremiah kreeg niet zomaar een carrière van de grond. Maar het is gelukt.

En nu zingt hij op bijna berustende wijze liedjes over verlangen en afscheid.

Met slechts vier uur slaap in zijn lijf staat zanger Jonathan Jeremiah te midden van het Metropole Orkest. Een troubadour met een cowboyhoed en een gitaar op zijn rug – naast de ritmesectie en achter de strijkers die dirigent Jules Buckley omringen.

Aangenaam achteloos, het hoofd naar achter, legt hij zijn lage baritonstem op de aanzwellende vioolpartijen. Als in het slotakkoord van het liedje ‘Lost’ behoorlijk fanatiek op een bel wordt geslagen, verschijnt een grote lach op de gezicht van de zanger. „You killed it man”, roept hij naar de percussionist.

Jonathan Jeremiah is moe maar z’n ogen stralen na afloop van de repetitie voor het concert op het North Sea Jazz Festival. „We zijn vannacht van Londen naar Amsterdam gereden. Best schrikwekkend als je beseft dat je nu zingt voor zestig goedgetrainde musici met oorzendertjes die feilloos aangeven of het zuiver klinkt. Het is nog een beetje wennen, maar het klinkt geweldig.”

Ook is hij enthousiast over het duet, een akoestische versie van ‘Heart Of Stone’, dat hij zal zingen met de Nederlandse zangers Elske DeWall. Hij inviteerde haar na het horen van haar muziek op internet.

Met zijn lage soulbariton stem weet de Britse Jonathan Jeremiah (Londen, 1982) de luisteraar behoorlijk op het verkeerde been te zetten. Zijn zwarte tijdloze geluid staat haaks op zijn verschijning: een blanke wat slungelige man, met lang krullend haar en een morsige baard. Hij is de lonesome cowboy met een van weemoed doordrenkt folksoulhart en zingt op bijna berustende wijze liedjes over verlangen en afscheid.

Jeremiah komt uit een wat hij noemt ‘eenvoudig’ gezin met een broer en drie zussen. Zijn muzikale invloeden zijn tweeledig en klinken door in zijn muziek: zijn moeder omarmde jaren zestig folk, muziek van Cat Stevens en Nick Drake, terwijl zijn vader juist een liefhebber was van bigbands en orkesten.

Op zijn tweeëntwintigste trok de zanger naar Amerika, in de hoop er muzikaal geluk te vinden. Het was een leven als ‘a solitary man’, zoals hij later zijn album zou noemen, met de bus reizend van New York naar Los Angeles, liedjes schrijvend op kleine notitieblokjes. „Terwijl ik met al mijn gitaren in de bus zat, onderweg naar de studio met geen cent op zak, droomde ik ervan hoe een heel orkest mijn muziek zou uitvoeren”, vertelt hij. „Ik zocht naar muziek met een tijdloze kwaliteit. Liedjes die aantrekkelijk blijven voor mensen, maar ook een soort toevluchtsoord zouden zijn. Anders dan de formulemuziek uit computers die nu uit de radio klinkt.”

In ‘Happiness’, een liedje over zijn heimwee naar Londen, is zijn uiteindelijke teleurstelling over zijn reis goed merkbaar. Hij kreeg geen carrière van de grond aan de goudgele stranden van Amerikaanse westkust, en keerde blut terug naar huis. Daar hield hij toch vast aan zijn droom: een album met orkest. Het heeft Jeremiah uiteindelijk bijna acht jaar gekost voordat die er kwam. Hij schreef, zong, produceerde én financierde vooral alles zelf.

Stukje bij stukje sleutelde hij aan zijn album, in een kleine analoge studio. Met een keur aan baantjes financierde hij de opnames; van beveiliger in O2 Arena tot fabriekswerker in een chipsfirma. „Ik nam gewoon alles aan. Met extra geld had ik weer een vioolspeler, cellist of blazer. Dat ik zo 80.000 pond bij elkaar heb weten te sprokkelen is eigenlijk ongelofelijk.” Achteraf, zegt hij, was hij eigenwijs. „Ik wilde zo’n studio zelf uitvogelen. Dat was natuurlijk nogal veel in mijn eentje. Ik heb veel moeten leren, want ik wist niet eens hoe een microfoon werkte bijvoorbeeld. Dat doe ik niet nog eens op die manier. Ik kijk nu dan ook mijn ogen uit hoe snel ik met dit orkest mijn nummers doorloop. Nu ik een platencontract heb zullen toekomstige opnames hopelijk ook in sneltreinvaart verlopen.”

Op North Sea Jazz treedt Jeremiah op met het Metropole Orkest. Dirigent Jules Buckley kent hij van de opnames van zijn eigen album. „We werkten op een dag in dezelfde Londense studio”, vertelt Jeremiah. „Ik nam op en hij mixte zijn opnames met het jonge Heritage Orchestra. Toevallig kreeg ik aan het einde van de sessie de verkeerde cd met opnames mee naar huis. Wauw, dacht ik, dat klinkt goed.”

Buckley voegde een mate van ‘dromerigheid’ toe aan de liedjes: de nummers zijn omgeven met pluizige wolkendekken van strijkers. Alleen ‘Solitary Man’, geschreven na een bezoekje aan zijn oudtante in Amerika wier eenzame bestaan Jeremiah zich aantrok, zingt hij met alleen gitaar.

Voor de uitvoering met het Metropole Orkest vanavond is alles nog meer door Buckley aangezet in vollere arrangementen. Maar er zijn ook nieuwe liedjes. „Niet dat ik op ze uitgekeken ben”, zegt Jeremiah, „maar het is soms wat moeilijker op dezelfde wijze gepassioneerd te zijn over liedjes van zeven jaar terug.”

Nieuwe muziek vangt hij met de dictafoon die hij altijd bij zich draagt. Want: „Ik ben niet het type liedjesschrijver dat er even lekker voor gaat zitten.” Melodieën komen en gaan, en soms is er maanden niets. „Of dat nu halfdronken in een bar is of in de metro. Je weet nooit wanneer er zich mooie melodieën aandienen.”