Een roman met de sfeer van thriller, cinema en slapstick

Tanguy Viel: Paris-Brest. Vert. door Katrien Vandenberghe. Arbeiderspers, 144 blz. € 17,50

‘On-Frans geestig’, kopt het persbericht van De Arbeiderspers als aanbeveling van de uit het Frans vertaalde roman van Tanguy Viel.

‘Geestig’ en ‘Frans’ sluiten elkaar kennelijk uit. Literatuur uit Frankrijk is, zo wil het cliché, filosofisch, saai en wollig, Franse personages hebben een alpinopet op en een stokbrood onder de arm, terwijl ze denken aan seks en o la la.

Toch jammer dat de persberichtenmaker nooit heeft geglimlacht bij een burleske scène van Jean-Philippe Toussaint, dat hij niet heeft geschaterd bij de slapstickstijl van Jean Echenoz of het absurdisme van Didier van Cauwelaert. Niet lachen om de grimmige grappen van Dany Laferrière, Nicolas Dickner met een strak gezicht lezen, in de plooi blijven bij de toneelteksten van Yasmina Reza – je moet het maar kunnen.

Maar nu is er dan Paris-Brest, de eerste roman van Tanguy Viel die in het Nederlands verschijnt, ‘on-Frans geestig’. Het is de vijfde roman van Viel, die eerder boeken publiceerde met titels als Cinéma, L’absolue perfection du crime en Insoupçonnable. Net als Echenoz en Toussaint, die iets ouder zijn, heeft hij een passie voor film, vooral voor de film noir, de polar.

In dat soort films ballen zich de passies samen in een enkel moment dat de rest van een mensenleven bepaalt. Er wordt gesjouwd met koffers met dubieuze inhoud, veel speelt zich af in het donker en naar beweegredenen wordt vaak achteraf gegist.

Precies deze thema’s vind je ook in Paris-Brest, waarin een jongeman, opgegroeid in Brest, vanuit zijn woonplaats Parijs voor een paar dagen naar zijn familie terugkeert. Zijn familiegeschiedenis wordt bepaald door twee fortuinen: het een is verduisterd en de oorzaak van het tijdelijke ballingschap van zijn ouders.

Het andere is uit de lucht komen vallen en in de schoot van zijn grootmoeder beland. In de koffer van de verteller zit, figuurlijk gesproken, een explosief: het manuscript van zijn familieroman.

Net als zijn collega Echenoz, gebruikt Viel de technieken van de thriller, de cinema en de slapstick. Hij bouwt spanning op, introduceert elementen waarvan je als lezer begrijpt dat ze mis zullen gaan (een dubieuze jeugdvriend, fraude bij de bouw van een stadion, een diefstal) en geeft zijn verteller voldoende trekken van een naïeve loser mee om de lezer stof tot nadenken en meeleven te bieden.

Bovendien reflecteert Viel, net als zijn collega Laurent Binet onlangs succesvol deed, op de totstandkoming van de roman die we aan het lezen zijn.

‘En er zijn inderdaad bepaalde dingen waarover ik het wel zal moeten hebben, omdat ze belangrijk zijn voor het verdere verloop van dit verhaal, dingen die mijn moeder er eigenlijk altijd buiten heeft willen houden en er in zekere zin ook altijd buiten hééft gehouden, als in een gekuiste versie van de geschiedenis, maar zelf ben ik wel verplicht ze op te halen, zelf ben ik verplicht om Kermeur junior als het ware weer centraal op het schaakbord te plaatsen’.

Viels verteller zoekt naar woorden, naar een uitgangspunt, naar de waarheid en die zoektocht bepaalt ook zijn stijl, hernemend, aarzelend, meanderend. Waarin Viel vooral excelleert is – en in dit opzicht is hij verwant aan die andere grote verteller van familiegeschiedenissen, Jean Rouaud – in het oproepen van een sfeer: een woning aan zee, een rusthuis voor oud-mariniers, wind, eenzaamheid, dorpsroddel en broedervriendschap.

Ook de broer van de verteller is beducht voor de roman in de koffer. ‘Heb je ‘m nu af, je roman? [...] Maar... hervatte hij en hij aarzelde en ik glimlachte omdat ik zijn aarzeling voelde, heb je het dan ... over mij? [...] Ik kreeg het warm aan mijn hoofd, door zo te spelen met vuur, door zo te aarzelen met mijn antwoord terwijl ik er tegelijk om moest lachen dat ik niet te snel wilden antwoorden [...] Toen zweeg hij verschillende sigaretten lang, en voegde toe: ik popel in elk geval om het te lezen. Ik zal er vast om moeten lachen’.

Niet ongeestig, inderdaad.