Een alziend oog

De puntgave Romaanse kerken in de Franse Bourgogne zijn bezaaid met allerlei vreemde gedrochten – de waterspuwers natuurlijk, met hun vervaarlijke monsterkoppen, schubbenlijven, enge klauwen, maar ook onder pilaren vastgeplakte vreemde mannetjes en monstertjes met bolle gezichten met uitpuilende ogen, draakachtigheden en grijpgrage handen. De stenen verschijningen loeren hologig, grijnzend of dreigend naar de mensen in de kerk.

Een informatiebord in een van de kerken vertelt waarom dat is. De middeleeuwse mens was zeer angstig voor de zonde en het kwaad. Dat loerde overal.

Die middeleeuwse mens toch! Hij was bang voor het kwaad dat vlak buiten de zichtbare werkelijkheid de handen naar hem uitstrekte, om hem het loeiende vuur in te trekken.

Dan voel je je ineens prima. Wij hebben zulke angsten achter ons gelaten. Om een laatste oordeel, gestoffeerd met duivels en draken, moeten wij hartelijk lachen. Hahaha! Vrij zijn we!

Even is je tred veel lichter, omdat je geen middeleeuwse mens bent.

Maar wel een mens.

In de krant zie je waar ‘wij’, de 21ste-eeuwse mensen, bang voor zijn – het oordeel van de openbaarheid. Een rechter die zichzelf op televisie in een niet-leuke rol heeft teruggezien, slaat woedend om zich heen. Britse politici die zagen dat een schandaalkrant alle fatsoen met voeten trad, hielden zich stil, uit angst om zelf te figureren in zo’n krant. Jan Pronk stormt ineens naar voren, om te roepen dat ook hij zestien jaar geleden verantwoordelijk is geweest voor het drama in Srebrenica en dat het schandalig is dat de nabestaanden van de slachtoffers hun gelijk moeten halen bij de rechter. Dat is waar, maar waarom moet Pronk dat nu ineens in de krant hebben? Om het monster van de beeldvorming te behagen, opdat het zal zeggen: die Pronk, dat is tenminste een fatsoenlijke kerel. Hij neemt zijn verantwoordelijkheid.

Het oordeel is grillig en verpletterend. Het kan iemand in zijn greep krijgen en hem vermorzelen, zoals overste Karremans maar al te goed weet. Zijn angstigste moment, waarin hij niet wist wat te doen en dus maar wat meelachte met de slimme en gemene vijand, is vastgelegd. Het wordt steeds weer vertoond door het monster, eindeloos. Nooit zal hem iets worden vergeven.

Iedereen weet best dat-ie zelf ook deel uitmaakt van de openbare mening. De ‘zij’ die van alles vinden en de ‘wij’ of de ‘ik’ die daarvan het slachtoffer zijn, bestaan niet. De rollen wisselen steeds. ‘Wij’ lezen gretig wat over anderen wordt geschreven, soms wat al te gretig.

Had iemand mij, of een willekeurige krantenlezer, twee maanden geleden gevraagd of ik geïnteresseerd was in het seksleven van Dominique Strauss-Kahn, dan had ik hem weggehoond – natuurlijk niet. Ik gun het hem van harte. Ik hoef hier niets over te weten, maar gaandeweg zijn die krantenlezer en ik ons wél gaan interesseren voor dit seksleven. Het is belangrijk dat hij iemand is die het aanlegt met allerlei vrouwen die daarvan niet per se zijn gediend.

Daarmee is iets voorgoed veranderd. Zelfs als de beeldvorming onzinnig is, is ze nog belangrijk. Zo wordt het monster onbestrijdbaar. Dat zie je aan die Engelse politici die uit angst geheel machteloos waren geworden.

Wie iets in de openbaarheid doet, begrijpt wat beeldvorming is en hoe je die kunt beïnvloeden. Deze mensen weten dat overal ogen loeren en handen grijpen.

Ook mensen die niet voor hun baan in de openbaarheid leven, werken evenwel aan hun publieke verschijning, op hun weblog of Facebook. Het geloof in een alziende God met bijbehorend oordelend apparaat is verdwenen. Het alziende oog is gebleven, of teruggekomen in een andere vorm.

Het rare is alleen dat we hiervan zelf deel uitmaken. We zijn degenen die worden gezien, maar ook degenen die zien en die willen zien en kunnen zien.

Waar de middeleeuwse mens – we doen even net of die heeft bestaan als eenduidig wezen – tenminste een idee had van wat het kwaad behelsde, en dus ook waarop hij zou worden beoordeeld, is het nu wat ingewikkelder geworden. Of was het dat toen ook?

Waarschijnlijk wel. Die boze en gemene koppen zullen ook wel een manier geweest zijn om het kwaad buiten jezelf te plaatsen. Dan ben je zelf de onschuldige, die in de gaten wordt gehouden door een potentieel boze macht. Die macht houdt je niet alleen in de gaten, die verleidt ook, met wulpsigheden, glinsteringen en zaligheden.

Omdat het kwaad zo verleidelijk is, moeten hieraan steeds afschrikwekkende gevolgen worden verbonden. Die gevolgen hebben ook weer een geheimzinnige aantrekkingskracht. Al die laatste oordelen waarin mensen door ijverige duivels op spiesen worden geprikt, zijn zo duidelijk geschilderd en bedacht met volle inzet – lekker huiveren.

De middeleeuwse mens, we kennen hem wel.