'Echt dol op waaiers'

WFA02:PROLOOG TOUR DE FRANCE:LUXEMBURG;07JUL2002- De Nederlander Aart Vierhouten.WFA/sc/str.Soenar Chamid WFA SOENAR CHAMID

Naam: Aart Vierhouten

Leeftijd: 41

Tourprestaties: drie deelnames (1998, 2002, 2004)

„De Tour is drie weken van pijn en afzien. Maar toch wil je erheen. Je hebt als klein jongetje uren voor tv gezeten. De Tour is de reden waarom je wielrenner wilde worden. Om je te meten met de besten.

„Ik reed mijn eerste Tour voor Rabobank, in 1998. Michael Boogerd werd vijfde in het algemeen klassement, maar in de eerste week mocht ik mijn gang gaan in de massasprints. Ik haalde een paar ereplaatsen. Als derdejaars prof gaf mij dat vertrouwen.

„Robbie McEwen en ik, dat liep als een trein. Bij Lotto was ik zijn locomotief, de man die hem in de sprints vooraan moest brengen. Als locomotief moet je altijd in tweevoud denken. Als je een actie onderneemt, doe je dat enkel in functie van je sprinter. Als ik iemand voorbijreed, probeerde ik altijd dicht tegen hem aan te rijden. Daardoor ging die renner uitwijken, en had Robbie meer ruimte. Onze tactiek spraken we in de rit zelf af. Robbie kon zeer goed inschatten welke sprinter een goede dag had. Hij zei me dan in wiens wiel hij wou zitten. Ik moest hem gewoon afzetten, hij deed de rest.

„Als sprinter moet je eigenlijk zonder remmen leren fietsen. Als er iets gebeurt, moet je in eerste instantie een uitweg zoeken. Remmen is de allerlaatste optie. Als je remt, verliest een sprinter posities.

„Er staat veel wind, maar er wordt toch niet in waaiers gereden. Ik was echt dol op waaiers. Als bondscoach van de junioren en beloften hamer ik erop hoe belangrijk dat wel is. Wij Nederlanders worden geboren in de wind. Ik vind het belangrijk dat renners daarop leren anticiperen. Dat is een kwestie van inzicht. Dat moet echt een wapen zijn. Nederlandse renners mogen eigenlijk nooit in de eerste waaier ontbreken.

Mijn eerste Tour was veelbelovend, maar ik heb nooit mijn maximum als sprinter bereikt. In 1999 ben ik door een auto van mijn fiets gereden. Mijn bekken was verbrijzeld. Ik heb nadien nooit meer voluit kunnen trainen. Vooral in de bergen verloor ik altijd te veel energie, omdat mijn ene been door het ongeval twee centimeter langer was dan het andere. Ik heb na het ongeval de Tour niet meer uitgereden. Vooral in 2004 was dat echt frustrerend. De zestiende rit was een klimtijdrit op Alpe d'Huez, en ik kwam dertig seconden buiten tijd aan. Ik had het wel gered als Ullrich de snelste was geweest. Maar Armstrong reed toen belachelijk hard. Ik vond het best erg, maar troostte me dat McEwen al zeker was van de groene trui. Ik had mijn werk gedaan.”