De Jager draait niet, zegt De Jager

Minister De Jager vindt nu dat banken zonodig verplicht moeten worden bij te dragen aan noodhulp aan Grieken-land. Eerder hamerde hij op de noodzaak van vrijwillig-heid. Hij ontkent een draai.

Jeroen Wester

Wat zou het toch mooi zijn voor politici om de kiezers te tonen dat banken en beleggers ook mee lijden met de Grieken. En dat financiële instellingen wéten dat staatsleningen van een zwak euroland niet rücksichtslos door andere eurolanden wordt gegarandeerd. Alleen willen de Europese beleidsmakers tegelijkertijd paniek op de financiële markten voorkomen.

Dit vraagstuk keert de laatste maanden in allerlei verschillende gedaantes terug aan de onderhandelingstafels van Europese ministers in Brussel of Luxemburg. Het is een constante geworden. De taal in de Europese Unie blijkt hierbij grenzeloos: het gedeeltelijk kwijtschelden van schulden aan landen als Griekenland is taboe om openlijk te noemen – de financiële markten en de juristen kijken over de schouder mee. Wel mag gesproken worden van ‘herprofilering’ of het ‘doorrollen’ van leningen en andere eufemismen.

Maar de meeste tijd zijn Europese politici kwijt aan creatief boekhouden. Althans, aan pogingen daartoe. Dat zouden ondernemingen eens op die manier moeten proberen. Dat zit zo: in het hart van de discussie staan kredietbeoordelaars als Standard & Poor’s en Moody’s en de brancheclub van de derivatenhandel (ISDA). Als zij wanbetaling vaststellen, kan dat ingrijpende gevolgen hebben op de financiële markten.

Wanneer ISDA dat constateert, treden allerlei juridische clausules in Griekse kredietderivaten in werking. Dan kunnen beleggers die hun Griekse staatsleningen tegen wanbetaling hebben verzekerd, om uitbetaling vragen. En als de kredietbeoordelaars zo’n default ontwaren, zullen veel beleggers hun obligaties moeten verkopen of anderszins hun verlies nemen.

Dat is dan een direct gevolg van hun interne richtlijnen. Veel beleggers mogen eenvoudigweg niet of niet veel geld stoppen in te riskante effecten. Kortom, politici vrezen met recht voor de opinies van zulke kredietautoriteiten – of ze nu gelijk hebben of niet, dat doet er even niet meer toe.

Minder voor de hand liggend zijn de doorzichtige pogingen van Europese ministers om met zijn allen de Grieken extra te steunen zonder dat dit gezien kan worden als extra steun. Dat is nodig om een negatief kredietoordeel te voorkomen.

Politici kunnen de markten niet voor de gek houden, hun kiezers misschien wel. Daarom kwam al snel de optie bovendrijven om banken en verzekeraars ‘vrijwillig’ mee te laten betalen aan een nieuwe steunronde. Dat moest volgens een akkoord in Luxemburg ook „substantieel” zijn, zonder dat het tot een slechter kredietoordeel zou leiden.

Daarmee was, anders gezegd, hun zoektocht naar de kwadratuur van een cirkel begonnen. Want waarom zouden beleggers vrijwillig royaal de portemonnee trekken? Banken willen garanties, borgstellingen of andere sweeteners. Pas dan willen zij vanzelfsprekend meedoen. Maar ja, dan worden de kosten toch weer afgewenteld op de belastingbetaler – en daar was het nu net allemaal om begonnen.

Centraal idee is nu dat bij de vrijwillige steun banken hun bestaande leningen aan de Grieken ‘doorrollen’: de looptijd wordt vrijwillig verlengd zodat Griekenland niet ergens anders hoeft te lenen. Franse en Duitse banken waren al akkoord. Nederlandse grootbanken zijn volgens De Jager eveneens bereid me te doen. Alleen wordt deze actie door kredietbeoordelaars al snel als negatief bestempeld. Het getuigt niet van kracht van de debiteur. Ook dat is begrijpelijk.

Kennelijk durft De Jager het nu wel aan, en drie weken geleden niet, om te erkennen dat het Europese uitgangspunt niet meer realistisch is. De minister noemde het eerder deze week een illusie dat de financiële sector vrijwillig een substantieel bedrag zal meebetalen. De bewindsman ontkent echter dat hij een draai maakt. „Voor Nederlands is het woord ‘substantieel’ altijd leidend geweest.” Zo heeft hij het ook in de debatten met de Tweede Kamer gezegd.

Intussen is echter gebleken, zo laat De Jager desgevraagd weten, dat de kredietbeoordelaars een substantiële vrijwillige bijdrage per definitie als een soort in gebreke blijven van de Grieken zien. „Want waarom zou een bank 100 procent vrijwillig een besluit met dergelijke risico’s nemen tegen een normale rente”, vraagt de minister zich nu af.

De Jager: „Het kan nog steeds wel dat banken zelf besluiten mee te werken. Dat is de definitie van vrijwilligheid, zoals wij die in de verklaring van de eurogroep hebben bedoeld.”

Kortom, we hebben nu weer te maken met twee definities van vrijwilligheid. Kamerlid Ronald Plasterk (PvdA) weigert in te gaan op zulke discussies – juist omdat het volgens hem zo gevoelig ligt. „Ik pleit voor meer terughoudendheid. De minister moet eerst binnen Europa tot overeenstemming komen en verder zijn snavel houden. Dit luistert nauw, juristen en financiële markten kijken over de schouder mee.”

Kamerlid Wouter Koolmees van D66 noemt de uitspraken van De Jager ongelukkig. „Je moet zo’n discussie niet op zo’n manier in het openbaar voeren.”

Ook nieuw: de oppositie die de minister van Financiën tot terughoudendheid maant.

Reactie van Trichet, ECB:pagina 23