De goede val

Je mag het niet hardop zeggen, maar misschien had Tom Boonen die valpartij op weg naar Cap Fréhel wel nodig om weer wat geliefder te worden. Een verhakkelde beau garçon zien lijden alsof hij uit een oorlogsjaar thuiskomt, wekt vertedering. Tom Boonen in een lijf vol geronnen bloed: het is als een ballerina in het gips. De combinatie vloekt.

Het siert een kampioen met het palmares van Boonen dat hij zich niet liet neerslaan door fysiek ongemak. Sleutelbeen en heup ingepakt en, hop, vrolijk verder. Het is het magnetisme van de Tour.

De gescheurde broek en trui van Robert Gesink riepen ook iets van compassie op. Wat je anders zelden hebt, met deze robotachtige hooivork. Eindelijk een schijn van drama. De klimmer had ineens ook meer tekst. De val maakte hem warmer.

Vallen hoort tot de traditie van de Tour. Zolang het bij kneuzingen, een gehavende rug, pols en knie blijft, is er weinig aan de hand. Renners zijn gestaalde atleten. Een smak tegen het asfalt of in de berm betekent nog geen dramatisch oponthoud.

Dat in de vijfde etappe zowat het halve peloton tegen de vlakte ging, lokte boze commentaren uit van ploegleiders en kopmannen. De Tourdirectie werd verweten geen oog te hebben voor de veiligheid van het peloton. Smalle wegen, Madurodamachtige dorpskernen, praalzuchtige rotondes – een modern massaspektakel als de Tour verdient beter. Al helemaal als het ook nog flink waait.

De parcourskeuze staat vaak in functie van promotiezucht van Tourdorpen en -departementen, foeterde Patrick Lefevere. Het ansichtgehalte van etappes is inderdaad erg hoog – dan krijg je vanzelf een ketting van valpartijen.

Voor Johan Museeuw zijn lamento’s over het parcours gezeur. Hij gelooft dat het lichte en harde materiaal van de fietsen de oorzaak van het kwaad is. Te hoge velgen ook. „Moderne racefietsen zijn haast onbestuurbaar geworden.”

Vallen is een kunst.

Van sommige renners weet je: als zij rollend over de kop gaan, moet de stofzuiger erbij om fladderende ledematen bijeen te harken. Erik Dekker was zo’n brekebeen. Koos Moerenhout daarentegen kroop altijd wel weer overeind. Sprinter en cowboy Robbie McEwen houdt het meestal ook bij oppervlakkige pijntjes – hij kan mooi vallen.

Terwijl sprinters wel fietsen op de kracht der zotheid.

Ook nu zullen ze nog komen, spectaculaire valpartijen in volle sprint. En de volgende dag is het weer oorlog: wringen, kwakken, trekken, wriemelen in een menigte. Niemand bang. Hoe dat komt? Sprinten is muziek. Of zoals Tom Steels het ooit zei: „Op tweehonderd meter van de meet hoor je alleen nog het zoemen van de tubes. Vooral op zwart asfalt wordt snelheid dan erotiek. Daar kan angst niet tegenop.”

Sommige valpartijen gaan een leven lang mee. Dertig jaar na dato weet Theo de Rooij nog precies hoe hij in de afdaling van de Joux Plane tegen een vrouw aanknalde die met haar zoon de weg overstak. Arm uit de kom, gat in het hoofd, schaafwonden, nachtelijke hechtingen. Tot vandaag krijgt hij het beeld van die bebloede vrouw maar niet weggezapt.

Het is van 1971 geleden, en nog steeds zie ik Luis Ocaña roerloos op de weg liggen na zijn val in de doorregende afdaling van de Col de Menté in de eerste Pyreneeënrit. De Spanjaard reed in het geel met een voorsprong van 8,43 minuut op Joop Zoetemelk en negen op Eddy Merckx.

En daar ging hij. Nooit vergeet ik het apocalyptische verdriet in het lijkbleke gezicht van de frêle stilist.

Robert Gesink heeft niet te klagen.