Cultuurraad moest beter weten

De staatssecretaris voor Cultuur, Halbe Zijlstra (VVD), ontkent dat hij te weinig openstond voor overleg over het advies van de Raad voor Cultuur (RvC) over bezuinigingen op de culturele sector.

De RvC ziet dat dermate radicaal anders, dat de voorzitter haar functie heeft neergelegd. Want wat nou: overleg? Om toelichting op het advies heeft de staatssecretaris niet gevraagd en een deugdelijke inhoudelijke motivatie om het te weerleggen, gaf hij ook niet. Zo kan ze niet verantwoordelijk meer werken, meent de voorzitter.

De RvC adviseerde tegen bepaalde vormen van bezuiniging op de culturele sector. Zijlstra blijkt nu één bezwaar te onderschrijven. Dat maakt geen verschil. Hij houdt alles zoals hij het heeft bepaald.

Het is de beide partijen duidelijk dat het zo niet kan. Daarom overlegde de staatssecretaris dinsdag met de overgebleven zeven leden van de RvC over betere verhoudingen. Het gesprek draaide uit op welles-nietes. Het is niet moeilijk te raden hoe het verder is verlopen. De staatssecretaris koerste op soepeler samenwerking – met een RvC die adviseert in de richting van zijn bedoelingen. De leden van de RvC hielden vast aan het belang van hun expertise in contrast tot het vermeende gebrek aan kennis van de staatssecretaris – en ondervinden dat die in waardering wordt afgenomen, maar niet meer dan dat.

Zo ging het immers ook met het bezuinigingsadvies. De RvC kende het coalitieakkoord en hield een navenante 200 miljoen korting op het kunstbudget aan. Er werden wat doekjes voor het bloeden verzonnen. Budgettair waren die niet gedekt, wat wel een voorwaarde van de staatssecretaris was, dus de aanpassingen maakten geen kans. De RvC wist dat best, maar hoopte op beter.

En nu weet de RvC dat in Zijlstra’s visie wat betreft cultuursubsidies „de rol van de overheid te ver [is] doorgeschoten”, want dat definieert hij vandaag in gesprek met NRC Handelsblad. Alleen als de raad die visie onderschrijft, kan hij functioneren. Maar met zo’n visie valt er weinig meer te adviseren.

De voorzitter trad af omdat zij in haar geloofwaardigheid was aangetast. Met de geloofwaardigheid van de andere leden van de raad is het niet veel beter gesteld. Hun adviezen zijn niet bindend, maar ze werken niet voor spek en bonen. Ze blijven aan omdat aftreden het proces niet meer beïnvloedt, zei een van hen. Dat is een slap argument. Het proces gaat door en de RvC zal een speler zijn.

Door het optreden van de staatssecretaris zal een nieuwe voorzitter met argusogen worden bekeken. Wie heeft er zin om zitting te nemen in de RvC? Wie wordt het schoothondje dat op commando blaft terwijl het weet dat bijten niet mag, of hooguit zachtjes?