Bomen over dode bomen

De toestand van de Amerikaanse kwaliteits-journalistiek is dramatisch.

Deskundigen in een recente bundel met essays roepen de overheid om hulp.

Zijn kranten stervende? Is het einde van de ‘dode bomen’ nabij? Zijn mensen anno 2011 nog bereid om te betalen voor kwaliteitsinformatie? En concreet: is het denkbaar dat The New York Times straks niet meer bestaat?

Wie zich deze vragen weleens stelt, moet in elk geval kijken naar Page One: Inside The New York Times, een indrukwekkende documentaire van Andrew Rossi. Hij draaide een jaar lang mee op de mediaredactie van New Yorks ‘Old Gray Lady’. Het resultaat is een bijzonder waarheidsgetrouw en genuanceerd portret van de kranten- en mediawereld aan het eind van het eerste decennium van de 21ste eeuw. De film, die nu in de VS draait, komt wellicht ook naar Nederland.

Het is ook een rauw portret. Van een hoofdredacteur die nog maar eens honderd mensen moet ontslaan. Van een redactie met heimwee naar de gouden jaren zeventig en tachtig. Van een te logge en te grote organisatie die het faillissement ziet naderen. Van de Times die met de regering-Bush riep dat Irak massavernietigingswapens produceerde. Van mensen die met hun kartonnen doos onder de arm voor het laatst het prachtige gebouw bij Times Square verlaten.

Maar de film vertelt ook het verhaal van een redactie die knokt om de waarheid te achterhalen. Van journalisten die zich niet neerleggen bij oppervlakkige sites met als belangrijkste nieuws dat ‘een van de desperate housewives lesbisch zou zijn’. Van een organisatie die trots is omdat ze drie Pulitzer Prizes in de wacht sleept. Van correspondenten die in Irak de feiten boven water proberen te krijgen.

Wie na het zien van de film ook wil lezen hoe het zover is gekomen met de Amerikaanse pers – en vooral wat mogelijke strategieën zijn om de kwaliteitskranten te laten overleven, kan terecht bij het stevige boek van twee Amerikaanse professoren, dat de wel erg zwartgallige titel meekreeg Will the Last Reporter Please Turn out the Lights.

Want, zoals de openingszin van het boek – bestaande uit 32 soms al eerder gepubliceerde essays – helder stelt: ‘American journalism is in an existential crisis’. Oplages dalen, inkomsten verminderen, men leest minder lang in de krant, kranten hebben minder gezag. De voorbije kwart eeuw werd een kwart van alle banen op Amerikaanse redacties geschrapt, onderzoeksjournalistiek en buitenlandjournalistiek dreigen te verdwijnen, kranten besteden minder geld en ruimte aan wetenschap, muziekkritiek en boekrecensies. En het lijkt er voorlopig niet beter op te worden. ‘De VS, en elk land ter wereld in mindere of meerdere mate, staat voor een fundamenteel probleem: hoe creëren we leefbare en onafhankelijke media, of hoe denken we dat de wereld eruit zal zien zonder de vierde macht?’

Zijn blogs en internetsites dan niet de natuurlijke opvolgers van de ‘dode bomen’? Dat denken is niet meer dan een lovely fantasy, betogen diverse auteurs. Want op al die sites en blogs mogen opinies wild bloeien, van echte verslaggeving – laat staan van grondig onderzoek – is geen sprake. ‘Soms’, merkt een auteur terecht op, ‘bestaan deze commentaren uit originele perspectieven en argumenten, maar vele ervan lijken meer op de graffiti op de muren van wc’s.’

Wees niet zo zelfvoldaan, roept Janine Jackson de klassieke journalisten dan weer toe. De internetzeepbel? De opwarming van de aarde? De financiële crisis? De invasie in Panama? De oorlog in Irak? Dat zijn toch dossiers waar grote nieuwsorganisaties niet echt trots op kunnen zijn?

Maar wat moet er dán gebeuren om de kwaliteitsjournalistiek te redden? Veel auteurs in deze bundel scharen zich achter een naar Amerikaanse normen revolutionair idee: ingrijpen van de overheid. In een Amerikaanse maatschappij die, pers incluis, nog veel meer dan in Europa argwanend en zelfs vijandig staat ten opzichte van die overheid, is dat vloeken in de kerk. Maar toch. Zoals de overheid een rol te spelen heeft in de gezondheidszorg, zo moet de overheid waken over de kwaliteitsjournalistiek, denken velen. Dat diezelfde journalistiek het als een belangrijke taak ziet om de overheid te controleren mag dan paradoxaal lijken, ‘nood breekt wet’.

Want, schrijft een van de samenstellers van het boek, journalistiek is essentieel voor de democratie. De reclame die het systeem 150 jaar ondersteunde is weggevallen. En er zijn geen nieuwe commerciële of non-profitorganisaties die traditionele media vervangen. Dus moet de overheid optreden. Sommigen vinden dat de overheid de helft van alle journalistensalarissen zou moeten betalen.

Anderen zoeken hun heil bij steun van non-profitorganisaties (een model dat aansluit bij dat van de Britse The Guardian – de krant lijdt zware verliezen die worden gecompenseerd door winsten uit andere activiteiten) of in samenwerking tussen universiteiten en kranten. Een van de organisaties waarnaar geregeld wordt verwezen is ProPublica, dat zichzelf omschrijft als een ‘onafhankelijke, non-profit nieuwsorganisatie die onderzoeksjournalistiek produceert voor het algemeen belang’. Maar met slechts enkele tientallen journalisten in dienst achten anderen ProPublica, gefinancierd door stichtingen en particulieren, ook ‘een druppel op een gloeiende plaat’.

Al met al maakt het boek een wat wanhopige indruk. Want als Amerikaanse redacties eerlijk zijn, moeten ze toegeven dat ze er in veel gevallen niet in geslaagd zijn om lezers en adverteerders te behouden. Dat heeft veel te maken met de feitelijke monopolies waarin kranteneigenaren zich konden vermeien. The New York Times was heer en meester in New York, The Chicago Tribune in Chicago, The Los Angeles Times in die stad, en ga zo maar door. Kranten hebben decennialang nagelaten zichzelf opnieuw uit te vinden. En nu moeten de overheid en rijke filantropen ze dan zeker redden. Dat aspect – zelfkritiek van eigenaren en redacties – mis ik in dit verder mooie boek. Want ja, misschien heeft de overheid wel een rol te spelen in de verspreiding van kwaliteitsnieuws, maar niet noodzakelijkerwijs in het redden van kranten in hun huidige vorm en met hun huidige journalistieke gewoonten.

Gaat Nederland de kant op van de VS? Niet meteen. Je moet vaststellen dat eigenaren die hier in kwaliteitsjournalistiek van bijvoorbeeld NRC Handelsblad, De Volkskrant of Trouw investeren, mooie rendementen halen. Je moet ook vaststellen dat in dit land wel degelijk geëxperimenteerd wordt met nieuwe vormen van krantenjournalistiek – zie nrc.next. De redactionele en commerciële dynamiek achter verschillende kranten zorgt ervoor dat kwaliteitsjournalistiek en markt hier hand in hand gaan. Maar het ergste wat ons kan overkomen is dat we daar zelfvoldaan over gaan doen. Het boek van McChesney en Pickard kan ons daarom mooi helpen om niet in dezelfde situatie te belanden.

Robert W. McChesney and Victor Pickard. (ed.): Will the Last Reporter Please Turn out the Lights. The Collapse of Journalism and What Can Be Done To Fix It. The New Press, 224 blz. €20.