Bejaard

Tot ongeveer mijn vijfendertigste sprak men mij in winkels aan met „jongeman”.

„Zeg het eens, jongeman, wat mag het wezen?” Soms zeiden ze ook wel eens „jongeheer” tegen me, waar ik verbaasd van opkeek, want ik wist niet beter dan dat men zo in bedekte termen het mannelijk geslachtsdeel aanduidde. Als ik in die tijd in een café een jonge bestelde zei de ober steevast : „Een van uw leeftijd? Gaan we doen.”

Pas rond mijn veertigste werd ik bevorderd tot meneer. Of zoals men in Amsterdam vaak zegt: heer.

Je wordt bijna ongemerkt ouder en er komt een moment dat je beseft: nu is het zover. Ik liep op de Nieuwezijds Voorburgwal en was op weg naar de tramhalte bij het Spui. Lijn 1 kwam mij achterop en die moest ik halen. Hij passeerde me en ik zette er de pas in. Dat was niet snel genoeg en ik probeerde om, zoals dat heet, een sprintje te trekken. Helaas, dat ging niet meer. Hijgend stond ik stil en zag de tram, zonder mij, wegrijden. Grote hemel, dacht ik, nu word ik oud.

Dat is alweer jaren geleden. Ik kreeg AOW en realiseerde me dat ik niet meer een van de jongsten was. Wat ik niet werkelijk tot me liet doordringen was dat ik ook voor anderen zichtbaar een oudere was geworden. Dat merkte ik toen ik met mijn auto langs de Amstel reed. Tussen Herengracht en Keizersgracht is een smal stuk waar twee auto’s elkaar nauwelijks kunnen passeren. Maar ik lette niet op en zag tot mijn schrik dat een tegemoetkomende bestelauto al halverwege was. We moesten heel moeizaam langs elkaar heen manoeuvreren. Toen wij op gelijke hoogte waren, opende de bestuurder, een jongeman met een baseballpetje op, zijn portierraam en schreeuwde woedend: „Had dan effe gewacht, ouwe eikel!!”

Toen begreep ik dat ik voorgoed was opgenomen in het leger der bejaarden.