Als de kerk het voor het zeggen heeft

Ann De Craemer: Vurige tong. De Bezige Bij Antwerpen, 185 blz, €19,95

De Vlaamse Ann De Craemer werd dit jaar met Duizend-en-één-dromen genomineerd voor de Bob den Uylprijs, een prijs voor het beste Nederlandstalige journalistieke reisboek. Duizend-en-één-dromen won niet, maar De Craemers verslag van een reis door Iran werd positief onthaald.

Nu is er De Craemers fictie-debuut. Hoofdpersonage heet Ann De Craemer. Deze De Craemer groeide net als de schrijvende De Craemer op in het West-Vlaamse Tielt. De schrijfster werd in 1981 geboren. De De Craemer in Vurige tong is even oud. Want, zo valt te lezen, in 1994 ‘was ik dertien’.

Vurige tong kan gezien worden als een pendant van Joris van Casterens Lelystad. Daarin wordt ook op non-fictionele, journalistieke wijze verslag gedaan van een jeugd die de schrijver nog niet helemaal lekker zit. In Lelystad lukte dat voortreffelijk, in Vurige tong minder. Misschien ligt het aan de openingspagina’s, waarbij je nog de indruk krijgt dat Vurige tong een volbloed-abstracte vertelling is, in plaats van de journalistiek-realistische. Je meent dat De Craemer (de schrijfster opnieuw) een duivelse wraakgodin schiep wegens haar ongenoegen over haar roomse jeugd in Tielt. ‘Zoveel jaren later is het aan mij om de dienaren van God die mijn weg kruisten, eens goed aan hun eigen afval te laten ruiken.’ Dit gaat wat worden, denk je dan nog.

Maar de wraakgodin blijkt gewoon een verongelijkt meisje uit Tielt te zijn, terwijl ook die dienaren van God er met een berisping vanaf komen.

Het is lastig om de spraakwaterval die Vurige tong is te reconstrueren. Het begint met de dood van Denise, een tante van de hoofdpersoon die zich jong heeft laten overhalen in het klooster te treden. De Craemer voelt weerzin en woede wanneer ze een foto bekijkt waarop Denise in nonnenkledij is vastgelegd. Het is het punt waarop De Craemer een vlammende uitval opent jegens alle kerkelijke uitwassen in Tielt. Dat ziet er hoopvol uit (zie: wraakgodin), maar ontwikkelt zich langzamerhand tot het soort dertien-in-een-dozijn-achtige memoires van een jongmens dat z’n weg naar de grote stad (nou ja: Gent) probeert te vinden.

Af en toe leef je op wanneer De Craemer een fraaie zin schrijft. Maar dat is niet genoeg om de ouwelijk aandoende grondtoon van deze in de verleden tijd geschreven vertelling te redden. Vurige tong laat vooral zien dat verongelijktheid een prima aanleiding is voor een boek, maar dat het schrijven van 200 pagina’s boeiend proza iets anders is.

De hoofdpersoon keert terug naar Tielt, ze kan toch niet aarden op een plek waar de kerk het niet voor het zeggen heeft. Ook mist ze het fietsen in de vrije natuur. ‘Het werd lente, [...] en toen ik vanuit mijn appartement boven het dak van het Justitiepaleis de zon zag schijnen, wilde ik alleen maar mijn koersfiets, het ingespannen lichaam en de ontspannen geest, het geluid van mijn tubes op nat asfalt, de droge klik van de schoenen in de pedalen’ [...].’ Er is, en dat vermoedde je al, niet veel meer dat haar weerhoudt van een terugkeer naar een dorp waar het toch echt niet pluis is.