Alleen overtroffen door de hemel

Het oude Istanbul is het Istanbul van de grote 16de-eeuwse architect Koca Mimar Sinan. De interieurs van zijn gebouwen zijn een esthetische sensatie. „Zo’n koepel is nog nooit gebouwd en zal ook nooit meer gebouwd worden.”

Wellustig is de skyline van Istanbul; een stad waarvan de gebouwen niet staan maar liggen. New York is met al die wolkenkrabbers een fallische stad, en ook al kun je de slanke minaretten die de talloze moskeeën bewaken ook fallussymbolen noemen, ze zijn toch kleintjes vergeleken met de borsten of billen die zijn neergevlijd op de oevers van de Bosporus; Istanbul is geen stad van torens maar van koepels. Rond en rank strijden hier om de voorrang – en rond wint.

Het oude Istanbul, het Istanbul dat de toeristen zien, is nog steeds het Istanbul van Koca Mimar Sinan, de grote architect die in de zestiende eeuw, toen het Osmaanse Rijk op het hoogtepunt van zijn macht was, de stad verrijkte met moskeeën, paleizen, scholen, badhuizen en bruggen. Amsterdam is nog steeds vooral een stad van de zeventiende eeuw, Istanbul mede dankzij Sinan van de zestiende – de Osmaanse gouden eeuw.

Sinan (ca. 1490-1588) heeft naar verluidt 476 gebouwen gemaakt. Daarbij was hij ook nog verantwoordelijk voor de watertoevoer, riolering en stadsplanning. Zijn bouwkunst wordt vergeleken met die van de Italiaanse Renaissance, met het werk van tijdgenoten Michelangelo en Palladio. hij bouwde in het hele Osmaanse rijk, van Damascus tot Budapest maar het meeste in Istanbul, dat zonder zijn gebouwen een armere stad zou zijn. Volgens de Turkse schrijver Orhan Pamuk verbinden Sinans moskeeën het seculiere en het heilige, door de monumentale exterieurs die de macht van het Ottomaanse rijk verkondigen en de zuivere interieurs die de gelovigen direct met god laten communiceren.

Het is niet mogelijk in Istanbul te zijn zonder langs een gebouw van Sinan te lopen. Maar het is gek genoeg wel mogelijk om Istanbul te bezoeken zonder een gebouw van hem binnen te gaan. Zijn werk staat meestal niet in de toptien van attracties die toeristen wordt aangeraden. Daarin staan wel twee religieuze gebouwen, de Hagia Sophia en de Blauwe Moskee, die vlak tegenover elkaar liggen in het oude Europese gedeelte van Istanbul.

Maar die zijn juist niet van Sinan. De Haya Sophia is een christelijke kerk uit de zesde eeuw, ver voor Sinans tijd, de Blauwe Moskee werd gebouwd in de zeventiende eeuw, toen Sinan al dood was. Toch hebben deze twee tempels veel met Sinan te maken. Zijn leven lang streefde de grote architect ernaar een moskee een koepel te geven die groter was dan die van de Haya Sophia. En de Blauwe of Sultan Ahmet-moskee is gemaakt door een leerling van Sinan, Sedefhar Mehmet.

En ook dat gebouw heeft koepels; net als vele andere moskeeën die voor en na Sinan in Istanbul zijn gemaakt. De koepel was in de Osmaanse cultuur een symbool van god, zowel van zijn perfectie als van zijn bescherming. Het zijn dan ook niet zozeer de koepels die van Sinan nu nog zo’n goede architect maken, zelfs niet als die koepels groter zijn dan die van de Haya Sophia, een feit dat in de tijd zelf wél belangrijk werd gevonden. Er werden zelfs gedichten over geschreven toen het Sinan buiten Istanbul gelukt was: „Zo’n koepel is nog nooit gebouwd op aarde en zal ook nooit meer gebouwd worden: hij is onnavolgbaar, alleen overtroffen door de hemel.”

De gebouwen van Sinan onderscheiden zich niet door de vorm maar door de kwaliteit, door de manier waarop de ruimte erin wordt ingedeeld. De schoonheid van zijn interieurs is een schoonheid die je modernistisch of protestants kunt noemen. Niet de versieringen maar de structuur van een gebouw geven een esthetische sensatie.

De kwaliteit van Sinan als organisator van ruimte werd al vroeg erkend. Maar ook nu heeft de architect nog vele bewonderaars; het lijkt of er in Turkije steeds meer straten en instituten naar hem worden vernoemd. Ook de kunstacademie van Istanbul heet naar hem. En ook buiten de landsgrenzen wordt de Osmaanse architect vereerd. De Nederlandse componist Theo Loevendie beschouwt Sinan als een van zijn idolen: „Alleen als ik in een moskee van Mimar Sinan sta, geloof ik in God”, zei de componist vorig jaar in de Volkskrant. De enig andere kunstenaar die hem dat gevoel geeft, is Bach. Volgens Loevendie heeft het te maken met Sinans gevoel voor ritme.

Loevendie raakt hier aan een idée reçue waarin het accent iets anders ligt: je hoeft niet in god te geloven om van de religieuze muziek van Bach te genieten. Hetzelfde zou voor Sinan kunnen gelden.

Toch zou je ook kunnen proberen het werk van Sinan op een andere manier te ervaren. Door niet naar zijn passies maar naar zijn verstrooiingen te luisteren. Sinan ontwierp in Istanbul niet alleen een groot aantal grote en kleine moskeeën maar ook badhuizen, die soms nog te bezoeken zijn.

Het badhuis dat Sinan naar verluidt zelf frequenteerde, de hamam bij de Suleymaniye moskee, wordt nog steeds gebruikt. De eerste hamam die hij bouwde, voor de beruchte sultansvrouw Roxelana, is onlangs weer opengegaan.

Ook deze hamams hebben altijd een koepel; net als de moskeeën is hun vorm beïnvloed door de Romeinse architectuur. In de daken laten kleine openingen in de vorm van sterren of ‘olifantsogen’ licht door dat het natte marmer streelt.

Deze koepels zijn weliswaar veel kleiner dan die van de moskeeën, maar ook hier kan met behulp van proportie en lichtval een sensatie van schoonheid teweeg gebracht worden, die nog versterkt wordt doordat er andere zintuigen dan het oog bij zijn betrokken. Stoom, schuim, steen, water bieden een ervaring die de belofte van de skyline inlost.