163 miljoen vrouwen Vermist

Selectieve abortus beperkt zich niet langer meer tot Azië, blijkt uit een spraakmakend boek. Een Science-journaliste beschrijft achtergrond en gevolgen van de cijfers.

Mara Hvistendahl: Unnatural Selection. Choosing Boys over Girls and the Consequences of a World Full of Men. Public Affairs books, 316 blz. ca. € 19,-. Verschijnt 28 juli in Europa

Vijftien jaar geleden werd in het Metropolitan Medical Centre van Jakarta, een ziekenhuis voor welgestelde Indonesiërs en expats, mijn dochter geboren. De zuster liet me de baby zien en zei: „Het is een meisje, geeft niks toch?” Dat Aziaten weinig op hebben met dochters wist ik wel. Ik kende mannen die scheidden omdat er weer een dochter was geboren. En ik zag westerlingen shoppen naar adoptiekinderen in tehuizen die vooral werden bevolkt door ‘weesmeisjes’. Maar als een medische professional twijfelt aan je vadertrots, komt dat misprijzen voor meiden wel heel dichtbij.

In 2006 publiceerden een Britse kinderarts met jaren ervaring in Azië, Therese Hesketh, en een Chinese hoogleraar biologie, Wei-Xing Zhu, een opmerkelijk artikel in het tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences. Daarin onthulden zij dat sinds de jaren tachtig in China en andere Aziatische landen een groot mannenoverschot was ontstaan. Als gevolg van selectieve abortus en verwaarlozing van vrouwelijke zuigelingen was de natuurlijke balans tussen jongetjes en meisjes ernstig verstoord.

‘In delen van China en India’, schreven Hesketh en Zhu, ‘kan het mannenoverschot de komende jaren oplopen naar 12 tot 15 procent. Het gaat vooral om laag opgeleide jonge mannen van het platteland, die zo goed als kansloos zijn op de huwelijksmarkt en wie een bestaan in de marge wacht. Deze scheefgroei is het resultaat van een traditionele voorkeur voor mannelijk kroost en de moderne mogelijkheid om het geslacht van een kind vóór de geboorte vast te stellen.’

Zo kwam het ‘Aziatische mannenoverschot’ onder de aandacht van een groot publiek, maar niet hoog op de internationale agenda. UNFPA, de VN-organisatie die initiatieven voor gezinsplanning in ontwikkelingslanden financiert, zweeg over de kwestie. Ook internationale vrouwenorganisaties besteedden er nauwelijks aandacht aan. Zij waren bang dat kritiek op sekseselectie zou uitmonden in beknotting van het recht op abortus.

Sindsdien bleven er artikelen verschijnen van verontruste artsen en demografen. In China, rapporteerden zij, was de sekseratio bij geboorte (SRG), het aantal jongens dat wordt geboren per 100 meisjes, sinds de jaren tachtig voortdurend gestegen. In 2004 kwam hij al boven de 120 en in 2009 piekte hij op 121. In de meeste westerse samenlevingen ligt de SRG rond de 106, met een afwijking van 1. Dit geldt als het ‘biologisch normale niveau’ en is waarschijnlijk een evolutionaire aanpassing aan het gegeven dat vrouwen een grotere kans hebben te overleven tot de huwbare leeftijd dan mannen.

China is niet het enige land in Azië waar de sekseratio bij geboorte is gestegen. In 2010 liet de Indiase census een gemiddelde SRG zien van 112, met uitschieters in het noordwesten. En al in de jaren tachtig steeg de SRG in Zuid-Korea, Taiwan en Singapore boven 109.

Tot nu toe bleef het bij zulke, wat abstracte macrocijfers en bij verklaringen als een ‘traditionele voorkeur voor zonen’ en de beschikbaarheid van ‘nieuwe technologie om het geslacht van de ongeboren vrucht vast te stellen’. De optelsom van ‘traditie’ en ‘technologie’ resulteert blijkbaar als vanzelf in selectieve abortus. Welke afwegingen miljoenen ouderparen maakten, welke rol artsen, nationale overheden, internationale organisaties en fabrikanten van medische apparatuur daarbij speelden en hoe het mogelijk is dat vrouwen zich op zo’n grote schaal laten aborteren totdat ze zwanger zijn van een zoon, dat alles bleef buiten beeld.

Vorige maand verscheen het boek Unnatural selection – Choosing Boys over Girls and the Consequences of a World Full of Men. Auteur is Mara Hvistendahl, een Amerikaanse wetenschapsjournaliste en correspondent in China voor het wetenschappelijke tijdschrift Science. De hoofdstuktitels van haar boek zijn personages: van ‘de demograaf’ en ‘de dokter’ tot ‘de bruid’ en ‘de vrijgezel’. Hvistendahl wil de gezichten laten zien achter de cijfers en doordringen in de ervaringswereld, denktrant en afwegingen van de betrokkenen. Zij sprak met statistici, sociologen, artsen in kraam-, abortus- en vruchtbaarheidsklinieken, met voorlichters van de industrie, vrijgezellen, importbruiden en, niet in de laatste plaats, met Aziatische ouderparen. Het resultaat is een standaardwerk.

In het boek is een hoofdrol weggelegd voor Christophe Guilmoto, een Franse demograaf die in Zuid-India heeft gewerkt en het afgelopen decennium onderzoek deed naar het Aziatische mannenoverschot. In 2005 becijferde hij dat dit toen neerkwam op 163 miljoen vermiste vrouwen. Hij onderscheidt drie probleemregio’s: Oost-Azië, met inbegrip van China; Zuid- Azië (India en Pakistan), en de Kaukasische republieken: Azerbeidzjan, met een SRG van 115; Georgië (118) en Armenië (120). Het verschijnsel, zegt Guilmoto, doet zich sinds kort ook voor op de Balkan: Albanië zou nu al dezelfde SRG hebben als China: 121. En een Amerikaanse econome, Lena Edlund, constateerde onlangs een oplopende SRG onder de Aziatische minderheid in de Verenigde Staten. Waarom willen al die mensen zonen?

De ouders met wie Hvistendahl sprak in China en India hebben liever zonen omdat die voor meer inkomen zorgen, de familielijn voortzetten, vanouds de begrafenisrituelen voor de ouders uitvoeren en voorrang krijgen bij het erven van bezit. In sommige landen zijn vrouwen een kostenpost, omdat ze een bruidschat moeten meebrengen, op den duur deel gaan uitmaken van de familie van hun man en dan geen verantwoordelijkheid meer dragen voor hun eigen ouders. In China speelt nog een andere, dwingende factor: de éénkindpolitiek die de overheid sinds 1980 heeft gevoerd.

Volgens demograaf Guilmoto kan een stijgende SRG niet alleen worden verklaard uit ‘lokale’ factoren. Hij beschouwt het als een overgangsverschijnsel dat zich voordoet in samenlevingen met een snelle economische groei en een al even snel dalend geboortecijfer. Als landen met hoge SRG’s een bepaald niveau van economische ontwikkeling bereiken, zegt hij, zullen echtparen niet langer meisjes laten aborteren. Maar die overgang kan tientallen jaren duren. Sekseselectie begon in de welvarendste delen van China en India en is nog niet doorgedrongen in de armste regio’s. Anders dan de UNFPA, die ervan uitgaat dat de SRG in Azië zijn top heeft bereikt, denkt Guilmoto dat de transitie zal doorwerken tot 2050, met alle sociale gevolgen van dien. Toch doet een SRG-stijging zich niet voor in alle samenlevingen met snelle groei en dalend geboortecijfer. In Indonesië gebeurde het niet. Daar is abortus verboden, tenzij de zwangerschap het leven van de moeder bedreigt.

Hvistendahl concentreert zich in het tweede deel van haar boek op de rol die abortus speelt of heeft gespeeld bij het ontstaan van het mannenoverschot. Vruchtafdrijving was nog niet zo lang geleden allerminst vanzelfsprekend in Azië. In de meeste landen bestonden er grote religieuze en andere morele bezwaren tegen deze ingreep. Dat deze weerstand is gebroken, schrijft Hvistendahl, is het werk van westerse organisaties die zich sinds de jaren vijftig hebben ingespannen voor geboortenbeperking in ontwikkelingslanden. Hoe autoritair en hardhandig het daarbij toeging, vooral in concentratieland India, is al eerder beschreven in het boek Fatal Misconception – The Struggle to Control World Population (2008) van de Amerikaanse historicus Matthew Connelly. Hvistendahl leunt zwaar op deze studie. Nieuw is haar overtuigende bewijs dat organisaties als de Amerikaanse Population Council al in een vroeg stadium in India selectieve abortus propageerden als middel van gezinsplanning, waarbij zij nadrukkelijk inspeelden op de traditionele voorkeur voor jongens. Minder kinderen, was de boodschap, is niet erg, als je maar een zoon hebt.

In de jaren zeventig bedienden artsen zich van vruchtwaterpunctie bij de seksebepaling van ongeborenen. Daarna kwam een handzamer techniek beschikbaar: echoscopie. Hoewel sekseselectieve abortus is verboden in India, worden er jaarlijks een miljoen uitgevoerd. Echoscopen zijn nu zo compact dat op de achterbank van een auto het geslacht van de vrucht kan worden vastgesteld. De medische industrie zag een groeimarkt, artsen gingen zwangere vrouwen beschouwen als klanten. Het Westen leerde India aborteren en keek in de jaren tachtig de andere kant uit toen China die lessen al even hardhandig in praktijk bracht.

In het derde deel schetst Hvistendahl de maatschappelijke gevolgen van het mannenoverschot: groeiende prostitutie, een aanzwellende stroom importbruiden – in China uit Vietnam en Birma; grensoverschrijdende vrouwenhandel; en steeds meer vrijgezellen. Die overtolligen zonder kroost heten in China de ‘kale takken’ aan de familiestam – met lichamelijke en geestelijke klachten. Er ontstaan vechtclubs van vrijgezellen die buiten de stad oorlogje spelen met luchtdrukwapens. In de media is steeds vaker sprake van fenqing (‘boze jonge mannen’) die via het internet nationalistische protestacties organiseren tegen Japanse of westerse zakenlui die Chinese call-girls inhuren voor hun feestjes. De fenqing deden voor het eerst van zich spreken toen ze in mei 1999 straatprotesten organiseerden tegen de NAVO-bom die bij vergissing op de Chinese ambassade in Belgrado was gevallen.

Aziatische overheden beseffen intussen de gevaren van een scheefgegroeide sekseratio. De regering van Zuid-Korea was de eerste die hard optrad tegen artsen die selectief vrouwelijke foetussen aborteerden. De SRG was daar in 2007 voor het eerst in twintig jaar gedaald tot een normaal niveau. China is begonnen met regionale proefprojecten onder de leuze ‘Geef om meisjes’. Sommige demografen denken dat er vanzelf meer meisjes worden geboren als hun economische waarde stijgt. Hvistendahl verkiest overheidsoptreden. Aziatische vrouwen, schrijft ze, zijn juist door hun schaarste gedegradeerd tot handelswaar.