'Wij zijn een dapper, klein museum' Met de verkoop van dit werk financiert MuseumgoudA zijn toekomst

MuseumgoudA veilde vorige week een van zijn topstukken om gaten in de begroting te dichten. Portret van museum in doodsstrijd. „Het is flauwekul om te stellen dat dit een voorbeeld van goed cultureel ondernemerschap is.”

Hans Vogels herinnert zich die zaterdagochtend in 1988 nog goed. Hij stapte in Gouda op de trein naar Amsterdam met maar één missie: proberen om voor het kleine Goudse stadsmuseum waar hij conservator is, een schilderij te kopen van de toen nog jonge, maar veelbelovende Nederlands/Zuid-Afrikaanse kunstenaar Marlene Dumas. In Amsterdam bezocht Vogels de galerie van Paul Andriesse, waar Dumas een reeks schilderijen toonde die ze op basis van oude schoolfoto’s had gemaakt. Ruwe, een tikje naargeestige doeken van drenzend rond elkaar hangende schoolmeisjes en -jongens. De tentoonstelling was nog maar net geopend. Maar alle schilderijen waren al verkocht, op één na.

Dat ene schilderij was The Schoolboys (1987). Vogels moest meteen beslissen en kocht het voor 16.000 gulden, meer dan driekwart van het aankoopbudget van ‘zijn’ museum in Gouda. „Die rauwe Dumas”, zegt Vogels nu in zijn werkkamer hoog verstopt in MuseumgoudA, „hoorde thuis in de collectie hedendaagse kunst van vrouwelijke kunstenaars die ik samen met directeur Josine de Bruyn-Kops en haar opvolgster Nicolette Sluijter aanlegde. Iedereen wilde een Dumas, wij ook.”

Vandaag, 1 juli, werkt Vogels precies dertig jaar bij het museum. Maar er is geen sprake van een feestje: want juist afgelopen week heeft het museum de Dumas, waar Vogels bijna een kwart eeuw op paste, geveild bij Christie’s in Londen. Een onbekende koper verwierf het doek voor iets meer dan 1 miljoen euro. Met de opbrengsten van de veiling moet het kleine museum de drastische bezuinigingen het hoofd bieden die de gemeente Gouda heeft opgelegd.

„De veiling van een van je topstukken is niet leuk”, benadrukt Vogels. „Je bent er niet als museum om je spullen te verkopen. Het is flauwekul om te stellen dat dit een voorbeeld van goed cultureel ondernemerschap is.” Maar hij is ook realistisch. „Je kunt roomser dan de paus zijn en net als de Nederlandse Museumvereniging zeggen: ‘Ho ho, niets gaat de deur uit voordat het is aangeboden aan andere musea.’ Maar zo’n uitspraak telt niet meer op het moment dat het alternatief is: de deur op slot want het geld is op. Met de opbrengst van de veiling krijgen we eindelijk een stukje lucht.”

De afgelopen tien maanden hebben verschillende donderwolken boven het stadsmuseum gehangen. De grootste behelsde een verhuizing uit het Catharina Gasthuis naar een vleugel in het gotische stadhuis op de Markt. Het museum zou daarmee feitelijk veranderen in een cultureel centrum dat geen museale taken meer kon uitvoeren. De collectie religieuze kunst zou worden afgestoten naar het Catharijneconvent in Utrecht, de hedendaagse kunst zou verdwijnen, er zouden geen serieuze tentoonstellingen meer kunnen worden gehouden.

De net aangetreden directeur Gerard de Kleijn begon in januari 2011 meteen met een nationale handtekeningenactie tegen deze ‘uitsterfconstructie’ van het museum. In maart werd de petitie, die was ondertekend door prominenten als oud-museumdirecteur Henk van Os en Rudi Ekkart, directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, aan het College van B&W aangeboden.

Het hielp. Het museum hoefde niet te verhuizen.

Volgens Daphne Bergman, sinds vorig jaar D66-wethouder van Cultuur, speelde inderdaad in de nieuwe coalitie de vraag: ‘Hebben we zo’n groot museum nodig? Kunnen we niet toe met een vleugel in het Stadhuis?’ „We zijn van dat idee afgestapt”, zegt ze, „ook omdat MuseumgoudA met de verkoop van de Dumas heeft laten zien serieus met de gemeente mee te willen denken.” Wel besloot het College van B&W vijf ton te bezuinigen op de jaarbegroting van het museum van 1,6 miljoen. Die bezuiniging gaat op 1 januari 2012 al in, in plaats van 2013 zoals in andere gemeentes.

Het museum blijft gevestigd op de oude, schilderachtige locatie van het Catharina Gasthuis, ingeklemd tussen de St. Janskerk en het water van de Oosthaven. Maar om de vijf ton bezuinigingen te halen, moet het museum flink bloeden. Iedere afdeling levert de helft van het personeel in. De nieuwe, broodnodige depotruimte wordt afgeblazen. Het museum zal zijn nationale ambities laten varen en zich profileren als stadsmuseum, met aandacht voor het Gouds plateel, de negentiende-eeuwse collectie Arntzenius en de collectie religieuze kunst. De hedendaagse kunst die geen directe band heeft met Gouda, wordt net als de speelgoedcollectie afgestoten. Het Farmaceutisch Museum sluit. Het aankoopbudget wordt tot nul teruggebracht.

Er moet, zo verdedigt Bergman zich, op álle fronten in Gouda ingrijpend worden bezuinigd. Dus ook op cultuur. De stad heeft immers een probleem: ze is gebouwd op een veenmoeras en zakt letterlijk weg in de modder. Ophoging van straten en versterking van fundamenten van huizen en gebouwen zijn zulke geldverslindende operaties dat de gemeente veertig jaar lang een artikel 12-gemeente was. Daarmee stond het onder curatele van het Rijk. In 2008 is die status opgeheven, maar ze dreigt opnieuw, want Gouda verzakt sneller dan verwacht. De oppositiepartijen riepen eind vorig jaar de hulp van de provincie Zuid-Holland in, omdat ze vrezen dat de stad failliet gaat.

Volgens Alain de Werd – directeur van de plaatselijke Praxis en voorzitter van het Catharina Gilde, een groep van zo’n dertig Goudse ondernemers die het museum financieel steunt – wordt de malaise van Gouda niet alleen veroorzaakt door de moerassige bodem. „De gemeente zwalkt al jaren in haar beleid. Moet Gouda zich met cultuur profileren, met water, stroopwafels, kaas? Ze komen er maar niet uit wat precies de aantrekkingskracht van de stad is.”

De Werd zit op het terras in de museumtuin. Op de achtergrond klinken de klokken van de St. Janskerk. De Werd maakt een weidse beweging: „Kijk om je heen. De binnenstad van Gouda is één grote culturele parel. Waarom dan al die leegstand? Waarom zo weinig toeristen? Waarom geen hotels, geen bewegwijzering naar het museum?”

Wegens dat ‘gebrek aan focus’ en wegens het feit dat De Werd bij toeval achter de bezuinigingsplannen van de gemeente moest komen, zette het Catharina Gilde in 2010 haar donaties aan het museum stop. „Wij wisten als goed gevende ondernemers niet meer waar we aan toe waren. We voelden ons enorm geschoffeerd. We hadden meer dan een miljoen euro in het museum gestoken en dat museum zat nu op een glijdend spoor. Het had geen duidelijke identiteit want de vorige directeur verzamelde, met de beste bedoelingen, prachtige hedendaagse kunst waar helaas nauwelijks iemand op afkwam.”

Nu heeft het Gilde haar steun weer toegezegd. Er is vertrouwen in directeur De Kleijn. „In het beleidsplan van eind vorig jaar wordt duidelijk de aandacht gericht op de historische kern van het museum en op de spirituele omgeving als stad van de Beeldenstorm”, zegt De Werd. „Gerard gaat proactief om met de bezuinigingen, hij wacht niet af, maar neemt stappen. Dat is goed, want daardoor is erger voorkomen. En ja, de verkoop van de Dumas is zo’n voorbeeld van proactief beleid. Natuurlijk verkoop je niet uit luxe. The Schoolboys hing bij ons prachtig.”

Dorien Pors loopt voorop. De oud-docente Nederlands is vijf jaar vrijwilligster in MuseumgoudA. Ze kent de weg door het labyrint-achtige complex als geen ander. Achter ieder voorwerp, ieder stukje gebouw zit een verhaal. In de oude gasthuiszaal zegt ze: „Hier stonden vroeger de bedsteden waar de zieken in lagen.” Bij een vitrine in de kapel: „Willem van Oranje wilde de gouden kelk van Jacoba van Beieren laten omsmelten, maar gelukkig verstopte iemand de beker.” In de schutterszaal blijft ze het langst staan. Ze wijst: „Daar hing The Schoolboys.” Het muurtje is inmiddels afgebroken.

„Ik nam het schilderij altijd op in mijn rondleiding”, zegt Pors. „Altijd! Ik legde de mensen uit: ‘Wat denkt u: zijn die jongens elkaars vrienden of vijanden? Zijn ze graag bij elkaar of eerder tot elkaar veroordeeld? En zou je ze herkennen als je ze op de Markt tegenkwam?’ Ik wees de mensen op het verschil met de zeventiende-eeuwse schuttersstukken in de zaal, waarop iedereen het zo naar zijn zin heeft. Zo heel anders dan het groepje schooljongens van Dumas.” Pors zucht: „Het was mooi – dit hedendaagse schilderij tussen de oude kunst.” Maar er kwamen weinig bezoekers. In 2010 daalde het aantal bezoekers naar 26.000. Pors: „De nieuwe directeur denkt dat het er 40.000 gaan worden.” Ze lacht: „Misschien lukt dat. Het museum is dit jaar voor Gouwenaren gratis toegankelijk.”

Diezelfde avond loopt Gerard de Kleijn op blote voeten door zijn huis in Amersfoort. Het is de avond van de veiling van de Dumas in Londen. „Gerard is een ijzervreter”, zegt zijn vriendin. „Hij toont geen zenuwen.” Voordat De Kleijn in oktober vorig jaar aantrad als directeur van MuseumgoudA, stond hij aan het hoofd van de stichting Amersfoort in C, waar het Armando Museum, kunsthal KadE, museum Flehite en het Mondriaanhuis onderdeel van zijn. Waarom hij heeft gesolliciteerd bij een museum dat zo in het nauw zit? Hij glimlacht: „Ik houd van dit soort probleemsituaties. En onderschat ons niet: wij zijn een klein, maar dapper museum.”

Naast alle problemen die er al bestaan, is De Kleijn ook geconfronteerd met een restschuld aan de gemeente, andere schulden en achterstanden in het collectiebeheer, oplopend tot 1,2 miljoen euro. Een deel van die schulden is ontstaan bij de verzelfstandiging van het museum in 2006, al ontkent De Kleijns voorganger Ranti Tjan dat. Conservator Vogels: „De toenmalige raad van toezicht heeft gewoon niet goed opgelet. In plaats van dat het museum een appeltje voor de dorst kreeg van de gemeente, hield het enorme schulden aan de verzelfstandiging over. Zo moesten we tonnen lenen om het kantoormeubilair te betalen dat we gedwongen van de gemeente moesten overnemen.”

Patricia Olsthoorn, al twaalf jaar collectiebeheerder van het museum maar vanaf september 2012 op straat, spreekt in dit verband zelfs van „een nekslag voor het museum”. „Ik weet dat de Postcodeloterij ons wilde sponsoren, maar dat kon niet omdat onze financiële huishouding niet orde was.” Ook een fonds als de Mondriaan Stichting weigerde steun.

De Kleijn weet dat zijn museum zware tijden tegemoet gaat, en dat het kleine beetje vet dát er nog was, nu echt is weggesneden. Toch heeft hij goede hoop: er wordt een grote tentoonstelling in het najaar georganiseerd rondom de ontwerptekeningen van Dirck Crabeth voor de gebrandschilderde ramen van de Sint Jan. Met het geld van de Dumas worden altaarstukken gerestaureerd. De hoofdingang van het museum gaat terug naar de oude plek, aan de Oosthaven. „Het museum keert zich dan niet meer van de stad af, zoals veel Gouwenaren vonden.”

Van de veiling van The Schoolboys heeft hij niet wakker gelegen. Ook niet van de kritiek als zou hij de collectie verkwanselen. „Nee, ik lig wakker omdat ik mensen moet ontslaan. Ik moet personeel dat zich jarenlang met hart en ziel aan het museum heeft gewijd, de wacht aanzeggen. Bewaker Willem. Conservator Ewoud. Collectiebeheerder Patricia. Dáár slaap ik niet van.”