Waar kom je vandaan?

‘Waar kom je vandaan?” vroeg mijn beste vriend Moesie. Ik trof hem net buiten het Centraal Station van Amsterdam waar hij op een tram stond te wachten. „Den Haag”, antwoordde ik. „Ik heb er de Tweede Kamer der Staten-Generaal bezocht.”

„De wat?”

„Ik heb de plek bezocht waar ons land wordt bestuurd.”

„Wat de fuck heb je daar nou weer te zoeken?”

Mijn antwoord bestond uit een beschrijving van het debat dat ik bijwoonde, waarin minister Piet Hein Donner zijn integratienota tegenover een handjevol Kamerleden moest verdedigen. Op dat punt was ik Moesies aandacht al kwijt, maar ik vertelde stug verder, over de wollige prater Donner die afstand nam van het multiculturele experiment, dat was namelijk een cultuurrelativistisch wangedrocht dat zo met de vuilnisman mee kon. Voortaan zou Nederland zijn joods-christelijke karakter als Leitkultur uitdragen, en een eerste uitkomst daarvan was het boerkaverbod dat minister Donner wilde invoeren. Hikkend van het lachen vertelde ik Moesie hoe Donner dit boerkaverbod in het debat probeerde te legitimeren door het met naaktlopen te vergelijken.

„Wat voor auto heeft Donner?”

„Wat voor auto heeft Donner? Weet ik veel. Gast, heb je wel geluisterd naar wat ik zeg?”

„Die ministers hebben vette bakken. Ik heb wel eens een van die pipo’s gezien, hij reed in een Chrysler.”

„Dus?”

„Dus dat. Jij rijdt tweedeklasse in een gare trein, Donner rijdt in een Aston Martin. Moet ik nog meer zeggen?”

Ik zal eerlijk zijn: ik was geschokt. Zoveel onverschilligheid over zo’n grote politieke breuk had ik niet verwacht, zelfs niet van de altijd stoïcijnse Moesie.

„Gast, Donner heeft de multiculturele samenleving voor mislukt verklaard. De wereld waarin jij en ik zijn opgegroeid, daar is over gezegd dat het een grote vergissing is geweest.”

De dramatiek druppelde niet alleen dik van mijn woorden, maar ook van mijn woeste handgebaren. Ik had er zelfs een nare Godwin voor over als ik daarmee Moesie een emotionele reactie kon ontlokken. Maar Moesie keek nog eens om zich heen, staarde wat vrouwelijk schoon na, en zuchtte toen zoals alleen mensen zuchten die pas verbaasd zouden zijn als het politiek bedrijf eens een keer niet door geniepig opportunisme zou zijn bepaald. „Waar is die Donner minister van?”

„Integratie.”

„Integratie”, zei Moesie en glimlachte minzaam. „Integratie. Multiculturele samenleving. Inburgering. Wie verzint die woorden?”

„Het gaat hier ook over jou”, zei ik om zijn cynisme een keer een stap voor te zijn.

„Over mij? Dat vind ik echt tof om te horen. Ze hebben het ook een keer over mij.”

In de publieke tribune in Den Haag zag ik ook vertegenwoordigers van minderhedenorganisaties die hun bestaansreden zeggen te ontlenen aan jongens als Moesie. Zij vertolken Moesies stem in Den Haag. Zeggen ze. Moesie zou zeggen dat ze vooral in Den Haag zitten om er hun eigen zakken te vullen.

„En wat gaat Donner eraan doen nu hij erachter is gekomen dat de multiculturele samenleving is mislukt?”

Het is waar wat ze zeggen over de onmetelijke kloof tussen de politiek en de burger. Hij manifesteerde zich in Moesies illusieloze idee over hoe de politiek hem beziet. Als mislukt. Als niet-joods-christelijk. De politiek durft dit nu pas uit te spreken, maar Moesie heeft altijd geweten wat ze zijn plek in Nederland achten.

„Ze gaan je de joods-christelijke Leitkultur door de strot douwen”, antwoordde ik.

„De joods-christelijke Leitkultur”, zei Moesie terwijl hij weer een meisje nakeek. „Toe maar.”