Retrokunst over slachtoffers van de crisis

De Amerikaan George Condo maakt absurdistische portretten van gekken en verweesde figuren. Hij toont hoe een kapitalistisch systeem mensen in monsters verandert.

Op een tafel in het atelier van George Condo (1957, New Hampshire), bezaaid met half uitgeknepen tubes verf, penselen en serviesborden die hij als palet gebruikt, liggen geprinte collages. Het zijn foto’s van politici gecombineerd met foto’s van zijn schilderijen. Een hysterisch lachende Hillary Clinton met wijd opengesperde mond is geplakt naast een priester met precies zo’n mond, maar nu verstard in een geluidloze schreeuw. En zorgelijk kijkende mannen met samengeknepen lippen naast portretten van cartooneske figuren die, met net zulke lippen, niet-wetend en met grote ogen voor zich uitstaren. De collages maken veel duidelijk over de kritische en absurdistische kijk van Condo op de maatschappij. Zijn werk, waarin een hele stoet aan gekken en verweesde figuren aan ons voorbijtrekt, toont ons hoe een kapitalistisch, liberalistisch systeem mensen in monsters verandert. In datzelfde systeem heeft Condo, die zijn schilderijen in hoog tempo produceert, groot succes.

Met zijn overzichtstentoonstelling van ruim zeventig schilderijen en sculpturen in Museum Boijmans Van Beuningen herleven de jaren tachtig. Condo behoorde tot de generatie jonge schilders die toen de internationale kunstwereld bestormde. In Duitsland en Nederland werden ze Jonge Wilden genoemd, in Italië de Transavantgarde, in Amerika waren het schilders als Keith Haring, Julian Schnabel en Jean-Michel Basquiat die de toon zetten. Hun expressionistische, figuratieve schilderijen waren ook in Nederland in alle musea en galeries te zien. Condo exposeerde in 1983 in de galerie van Barbara Farber in Amsterdam en in 1985 in de Rotterdamse galerie ’t Venster.

Het kunstklimaat onderging in dit tijdperk van Thatcher en Reagan een drastische verandering. De kunstmarkt ontwikkelde zich razendsnel. Terwijl musea voor moderne kunst tot op dat moment pioniers waren op het gebied van experimentele, vernieuwende en (zelf)kritische kunst, werden nu verzamelaars en internationale galeries toonaangevend bij het bepalen van wat belangrijke kunst was en wat niet. „Wir wollen Sonne statt Reagan”, zong Joseph Beuys. Weliswaar ontstonden overal ook alternatieve tentoonstellingsplekken en kunstenaarsinitiatieven, en was de neo-expressionistische schilderkunst tegen het einde van de jaren tachtig alweer op haar retour, de museumcultuur veranderde definitief. De belangrijkste taak van de grote musea werd het conserveren van kunstwerken die inmiddels krankzinnig kostbaar zijn geworden en het organiseren van tentoonstellingen die niet verrassen door nieuwe visies maar die het grote publiek juist herkenning en houvast bieden.

Deze geschiedenis komt weer helemaal boven bij het zien van Condo’s tentoonstelling. Te beginnen bij de eerste zaal, waar een groot aantal doeken door elkaar heen en in vele rijen boven elkaar zijn gehangen, zoals gebruikelijk was in de negentiende-eeuwse Parijse Salon. Deze verwijzing naar een lang voorbije tentoonstellingscultuur was in de jaren tachtig eventjes verrassend, net als het postmoderne ‘citeren’ van oude meesters. Zaal na zaal zien we portretten die geïnspireerd zijn door Picasso en Rembrandt, Goya en Velazquez. Overigens zijn het strikt genomen geen portretten, want Condo schildert geen individuele mensen, maar algemene, karikaturale types.

De expositie is te omvangrijk, wat jammer is want met een strenge selectie had een mooie tentoonstelling gemaakt kunnen worden. Een interessante groep portretten zijn de Antipodal Beings uit de jaren negentig, geïnspireerd door het essay ‘Heaven and Hell’ (1954) van Aldous Huxley waarin hij de werking van het hallucinerende middel mescaline analyseert. Huxley beschijft onder meer vreemde buideldier-achtige wezens die verre regionen van ons bewustzijn bewonen en die we allemaal, zegt hij, bewust of onbewust kennen. Red Antipodular Portrait is er zo eentje, felrood met lange haren aan oren en gezicht en wijdopen ogen als uit een Disney-tekenfilm, hij staart ons wezenloos aan. Of The Janitor (Conciërge), met de kop van een soort vleermuis en lange aapachtige armen. The Secretary lijkt eerder een portret van een vrouw die een mescalinevisioen heeft, weer met die grote Disney-ogen die in heel veel van Condo’s portretten voorkomen. Witte belletjes verlaten haar mond en wervelen als sterren in een diepdonkerblauwe hemel om haar hoofd. Condo beheerst de techniek van het chiaroscuro – decolleté en armen van de secretaresse zijn lichtend suikerroze en haar nek is vuilzwart.

Twee heel geslaagde schilderijen zijn Memories of Picasso (1989) en Memories of Rembrandt (1994). Ze zijn het resultaat van de opdracht die Condo zichzelf stelde om alle herkenbare elementen van de beeldtaal van Picasso en Rembrandt te gebruiken die hij zich kon herinneren, zonder zijn toevlucht te nemen tot specifieke voorbeelden. Het ene toont een kleurrijke vrouw met Spaanse hoed en asymmetrisch gezicht, en een kubistische of collage-achtige fragmentatie van de compositie. Het andere een gezicht in tinten bruin en zwart, dik opgebracht, oplichtend uit een zwarte achtergrond, met bollingen en veel ogen en een roodvlezige mond als een wond.

In het afgelopen decennium ontstonden Peripheral Beings, met verdwaasde figuren, daklozen en beurshandelaren, gemarginaliseerd door de maatschappij of ten onder gegaan in de financiële crisis. Ze zijn virtuoos geschilderd. Condo, die tien jaar in Parijs heeft gewoond, heeft zijn grote voorbeelden goed bestudeerd. Om echter zijn virtuoze hand te beteugelen en om voor zichzelf barrières op te werpen, maakt hij behalve zijn portretten ook doeken in verschillende abstraherende stijlen, van Klee en Kandinsky tot het kubisme. Dit zijn zonder uitzondering ornamentale retroschilderijen die beter niet in de tentoonstelling opgenomen hadden kunnen worden.

Condo schildert een allegorie op onze maatschappij, een commentaar op hebzucht, overdaad en de wanhoop van mensen die er niet in slagen in deze maatschappij te overleven. Zelf zei hij eens dat hij het ‘radicale conservatisme’ van de maatschappij wil bevragen. Tegelijkertijd is zijn eigen werk, en ook de artistieke positie die hij betrekt, evenzeer radicaal conservatief. Het is aan de beschouwer om te beslissen of Condo een opportunist is dan wel een schilder die een serieuze taak op zich heeft genomen.

Het is het goed recht van iedere kunstenaar om zich zo te positioneren als het hem of haar goeddunkt. Daarbij zegt die artistieke positie op zichzelf nog niets over de kwaliteit van het werk. Maar onder de huidige politieke omstandigheden in ons land ontkomen de musea er niet aan om een duidelijke visie op de hedendaagse kunst uit te dragen en zich te verantwoorden voor de keuzes die zij doen in hun expositiebeleid. Heel het alternatieve tentoonstellings- en productiecircuit dreigt immers te worden weggevaagd, wat wil zeggen dat er voor levende kunstenaars nauwelijks nog plekken zijn in Nederland waar ze hun werk kunnen laten zien. De musea voor moderne kunst zouden de verantwoordelijkheid op zich moeten nemen om opnieuw, zoals het ooit was, een podium te zijn voor vernieuwende en experimentele kunst. Wat zou het inspirerend zijn, en belangrijk als gebaar naar de samenleving, wanneer de zalen waar Condo hangt voortaan gegeven worden aan écht kritische kunst.

George Condo: Mental States. T/m 25 sept in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Inl: www.boijmans.nl