Pantomimefilm wordt bostheater

In het Amsterdamse Bos komen de kleurrijke theatertypes uit Les enfants du paradis tot leven. In het Openluchttheater is een toneelversie te zien van de legendarische film uit 1945, die Simon Carmiggelt destijds omschreef als een „cavalcade van ongehoord boeiende mensen”.

Ze zijn nog aan het bouwen, in het Amsterdamse Bos, maar de voorkant van het Théâtre des Funambules staat er al – daar worden de komende weken de scènes gespeeld met de pantomime- en variétéartiesten die in het negentiende-eeuwse Franse theater als funambules bekendstonden. En op het gaasdoek dat op de metershoge blokken aan de andere kant van de speelvloer is gespannen, doemen intussen ook al de contouren op van de gevels die suggereren dat dit de Boulevard du Crime is. De bomen die hier altijd staan, denken we dan weg. Straks moeten we alleen dat theatertje en die straat zien, de locaties die voor Garance, Baptiste, Frédérique en alle andere personages uit Les enfants du paradis de wereld vormen. Het theater is hun leven, daarbuiten bestaat niets.

Les enfants du paradis, de voorstelling die deze zomer in het Openluchttheater in het Amsterdamse Bos staat, is van origine geen toneelstuk, maar een film. Een legendarische film zelfs, die kort na de oorlog, in 1947, alleen al in het hoofdstedelijke theater Alhambra bijna negen maanden achter elkaar heeft gedraaid – zo groot was de toeloop. Maar een toneelversie is er in Nederland nooit eerder van gemaakt. Dit is de eerste.

Met negen spelers hoopt regisseur Ingejan Ligthart Schenk nu een tableau op te roepen dat op eigen kracht een ode aan het theater en de liefde is, net zoals de film dat was. „Een mooi verhaal over de liefde voor het theater en de drang naar vrijheid”, zegt hij. „Zó moeten we, juist in deze crisistijd, die liefde uitdragen: niet met een pamflet, maar met een schitterende voorstelling.”

Op een terras in Nice raakten de gerenommeerde Franse cineast Marcel Carné en zijn vaste scenarist Jacques Prévert in 1942 in gesprek met de acteur en mimespeler Jean-Louis Barrault. Zou het niet eens mooi zijn, opperde Barrault, om een film te maken waarin de negentiende-eeuwse Franse pantomimekunst een hoofdrol zou spelen? De twee anderen knikten.

Prévert, nu voornamelijk bekend als tekstdichter van klassieke chansons als Les feuilles mortes (Yves Montand) en Je suis comme je suis (Juliette Gréco), verdiepte zich in het Parijse theaterverleden en vond allerlei kleurrijke figuren die allemaal echt hebben bestaan en die hij met enige aanpassingen in een verhaal zou kunnen passen. Dat verhaal werd Les enfants du paradis, genoemd naar het volk dat niet meer dan vijftig centimes kon betalen om hoog in het theater op de goedkoopste rang te zitten. In ons land heette die het schellinkje, daar noemde men het le paradis, met het publiek waarover de in een witte pierrothansop gehulde mimespeler Baptiste in de film tegen de toneelspeler Frédérique zegt: „Het zijn arme mensen, maar ik ben net als zij. Ik hou van hen, ik ken hen goed. Hun levens zijn klein, maar ze hebben grote dromen.”

Prévert schreef een script waarin diverse mannen, onder wie Baptiste en Frédérique, dingen naar het hart van de vrijgevochten Garance – volgens het procedé dat al door Shakespeare werd toegepast in zijn Midzomernachtsdroom en dat later ook bruisend is bezongen door Ramses Shaffy: „De ene wil een ander, maar die ander wil die ene niet / de ander wil een ander, maar die ene heeft verdriet.”

Wat hen allen verbindt, is hun hartstocht voor het theater. Of, zoals Frédérique over zijn werk zegt: „Het is heerlijk om mijn hart tegelijk met de harten van mijn publiek te laten kloppen.” Hij oogt als een praalhaan, die alleen maar zelfzuchtige triomfen wil vieren in Othello, maar ook hij is dus een romanticus die het goed meent.

Marcel Carné maakte de film tijdens de Duitse bezetting in studio’s in Nice en Parijs. Niet omdat hij de hele productie zo graag wilde verplaatsen, maar wegens het oorlogsverloop. Sinds de invasie van de geallieerde legers op Sicilië kwam het front steeds dichter bij Nice te liggen. De verhuizing naar Parijs had echter ook een voordeel. Door zijn drukke werkzaamheden bij de Comédie Française leek Jean-Pierre Barrault aanvankelijk niet in staat de rol van Baptiste te spelen. Er was zelfs al een mogelijke vervanger gevonden in de nog onbekende variétékomiek Jacques Tati. Maar de opschuivende opnamedata en de verhuizing naar Parijs stelden Barrault alsnog in staat de rol zelf te spelen, als de pierrot wiens prachtige pantomimekunsten een van de grootste attracties van de film vormen. En de centrale rol van Garance – ongenaakbaar en onweerstaanbaar tegelijk – ging naar de Franse filmdiva Arletty die al vaker voor Carné had gespeeld. „C’est tellement simple, l’amour” luidt haar paradoxale devies in deze luisterrijke reidans van liefdesperikelen.

De afwerking van het weelderige, drie uur durende schouwspel verliep zo traag dat de bezetters argwanend werden – wat was er wel niet gaande in die studio? En ze hadden gelijk, want Carné ging opzettelijk langzaam te werk.

„Zodra ik het nieuws over de landingen in Normandië hoorde”, vertelde hij in het boek Child of paradise van de Engelse filmhistoricus Edward Baron Turk, „had ik maar één wens: de laatste werkzaamheden aan de film zo lang mogelijk te laten duren, zodat de film als eerste zou kunnen worden vertoond onder onze eindelijk herwonnen vrede.” Hij werd daarbij, al of niet moedwillig, afgeschermd door Arletty die tijdens de opnamen een romance met een Duitse officier beleefde. Toen haar die affaire na de oorlog voor de voeten werd geworpen, verklaarde ze volgens de overlevering: „Mijn hart is Frans, maar mijn kont is internationaal.” Dat had Garance gezegd kunnen hebben, al zou zij voor een nettere bewoording hebben gekozen.

Les enfants du paradis ging op 15 maart 1945 in première in het Théâtre Madeleine in Parijs en draaide daar 54 weken aaneen. Massaal liet het Parijse publiek zich betoveren door deze nostalgisch getinte hommage aan een schilderachtig verleden. Nederland, dat direct na de bevrijding eerst een grote achterstand aan Amerikaanse en Engelse films wilde inhalen, kreeg Carnés meeslepende meesterwerk pas twee jaar later te zien.

In Het Parool schreef toenmalig filmredacteur Simon Carmiggelt een jubelrecensie: „Nog nooit heb ik een film zo meesterlijk zien spelen. Men komt niet uitgekeken aan Arletty’s levenswijze charme, aan het briljante comedianten-voilà van Pierre Brasseur [als Frédérique] en men volgt met diepe bewondering Jean-Louis Barrault, een acteur vol sfeer en verfijnde melancholie, die als pantomimist een expressiviteit en een nuanceringsvermogen demonstreert dat vederlicht en verbluffend welsprekend is.” Samenvattend: „Ik heb deze cavalcade van ongehoord boeiende mensen ondergaan als een roman van De Balzac – een stuk leven, gegrepen in een groot verband.”

Toch was het niet de film die Ingejan Ligthart Schenk op het idee van de openluchtvoorstelling bracht. Het was het in boekvorm verschenen script van Prévert, dat hij bij toeval onder ogen kreeg tijdens de research voor een ander project. Hij wilde niet de film namaken maar een voorstelling maken die voortdurend in beweging is: „Door de grote speelvloer die we hier hebben, kan het dynamischer en fysieker zijn dan in de film. Dit amfitheater zich ook bij uitstek om te putten uit de oervormen van het theater die zelden of nooit meer te zien zijn, zoals de klassieke pantomime en het parade maken op straat – vóór het theater, om de mensen naar binnen te lokken.”

Les enfants du paradis, in het Amsterdamse Bostheater, gaat 8/7 in première en speelt t/m 3/9. Inl: www.bostheater.nl