Laat theater buiten altijd doorgaan, zon of regen

Theater en klimaat – opera en zon, toneel en regen: ogenschijnlijk hebben ze niets met elkaar te maken, behalve misschien in de overdrachtelijke betekenis van: „Het is nu zwaar weer voor de kunsten.” Of: „Onweerswolken stapelen zich op voor de sector cultuur.” Maar dat bedoel ik niet.

Toneel en opera zijn de kunsten van de behaaglijke schouwburg. Dat neemt niet weg dat toneelschrijvers, regisseurs en operacomponisten graag woeste natuurverschijnselen als donder en bliksem uitbeelden. Denk maar aan het donderende kabaal op de heide in de heksenscène van Macbeth of de felle bliksemschichten in Mozarts opera Die Zauberflöte. Regisseurs beschikken sinds de achttiende eeuw over tal van machinerieën om onweer en stormwind na te bootsen.

Als de zomer aanbreekt, verandert er van alles in het Nederlandse theater. Regisseurs, zangers en toneelspelers willen naar buiten. Ze brengen theater op locatie. Het begint met het Theaterfestival Oerol, dan komt Over het IJ Festival, Opera Spanga, Opera Nijetrijne, Theaterfestival Boulevard, Bostheater in het Amsterdamse Bos, Zeeland Nazomer Festival en nog veel meer. Dit zomerseizoen bieden vijver en tuin van Paleis Soestdijk zelfs de gedroomde locatie voor de opera Orfeo ed Euridice.

Het Nederlandse klimaat is een van de wisselvalligste ter wereld. En in geen ander land als het onze heeft locatietheater zo’n hoge vlucht genomen. Sinds de jaren dertig van de vorige eeuw begon het met de aanleg van openluchttheaters, zoals dat van Bloemendaal, het Shakespearetheater in het Drentse Diever of het Natuurtheater bij Oisterwijk. Dat was een bescheiden begin. Hier bracht men toneel als in de schouwburg, maar dan zonder dak en muren.

Regisseurs, spelers en toeschouwers die locatietheater brengen en bezoeken scharen zich in een oer-Hollandse traditie: ze vechten tegen de elementen. Soms moet een voorstelling afgelast worden, zoals enige tijd terug een enkele keer op Oerol en de Orfeo bij Soestdijk. Op Oerol vinden ook valse locatievoorstellingen plaats, namelijk in de steriele loodsen op een bedrijventerrein. Regisseur Thibaud Delpeut deed dat met Psychosis 4.48 van Sarah Kane. Zo’n binnenlocatie is niet echt, heeft geen extra waarde want de ruimte is betekenisloos en anoniem. Op datzelfde Oerol waren de dansers en danseressen van Anouk van Dijk met Mensch in een geweldige strijd gewikkeld met regen en stormwind op de Waddendijk. Dat was een superieure uitvoering. De nietigheid van de mens, waar Van Dijks choreografie over gaat, zagen we terug in de kleinheid van de mens onder die barre omstandigheden.

Regisseurs willen op locatie graag over dezelfde technische mogelijkheden beschikken als in de schouwburg. Met muziek- en lichteffecten. Daarom wijken ze uit naar binnen. Dat is een zwaktebod. Nu de vele zomerfestivals en locatievoorstellingen er weer aankomen, moeten de voorstellingen gehoorzamen aan één wet: altijd door laten gaan, ondanks regen en zwaar weer. Zowel in artistiek als meteorologisch opzicht bereiken spelers en toeschouwers een triomf. Ze hebben de elementen getrotseerd. Dat is precies wat locatievoorstellingen zo boeiend maakt in tegenstelling tot behaaglijk schouwburgtheater, namelijk de afhankelijkheid van de grillen van het Nederlandse klimaat, al is het zomer. Echte storm is altijd het mooist.