Ingreep kunstvakonderwijs is bovenal symbolisch

Hogescholen gaan minder studenten aannemen voor een aantal kunstopleidingen. Hoe ingrijpend is dit?

Grote groepen kunstenaars die worden opgeleid voor de werkloosheid. Dat beeld wordt vaak geschetst als het gaat over het kunstonderwijs. De zestien hogescholen die kunstonderwijs geven, van circus tot klassiek ballet, hebben nu afgesproken de instroom van studenten te beperken voor enkele richtingen: beeldende kunst en dans een kwart minder en jazz en klassieke muziek 10 procent eraf. Vier scholen gaan vanaf 2012 minder studenten vormgeving aannemen en de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunst 11 procent minder studenten theater.

De vraag is of dit een substantiële reductie is of een symbolische, om tegemoet te komen aan de kritiek. Ruim 21.000 studenten volgen een opleiding in het kunstvakonderwijs. Het overgrote deel, ongeveer eenderde, doet de opleiding vormgeving – een richting waarvoor de werkgelegenheid goed is en waarvan het totale aantal studenten dan ook juist wordt uitgebreid. De grote reductie zit bij beeldende kunst (nu 543 eerstejaars), dansers (nu 288) en musici (nu 1.002 eerstejaars studenten).

Het gaat om een paar honderd eerstejaars per jaar minder, verdeeld over zestien scholen. Op het totale aantal hbo-studenten (ruim 400.000) is dat niet veel. De scholen zelf spreken dan ook van een beperking met „beperkt karakter”. En waarschijnlijk leidt het niet tot heel veel minder werklozen, want zo slecht doen de afgestudeerden van het kunstonderwijs het niet. Anderhalf jaar na de opleiding is nog 8 procent werkloos; de studenten beeldende kunst met 13 procent aan kop, blijkt uit een rapport dat KNAW-voorzitter Robbert Dijkgraaf vorig jaar presenteerde. Voor individuele scholen kunnen de afspraken wel veel betekenen. Zo neemt Hogeschool Zuyd straks niet alleen een kwart minder studenten beeldende kunst aan maar ook 20 procent minder studenten vormgeving.

Het geld dat vrijkomt met minder studenten willen de hogescholen investeren in de kwaliteit van hun opleiding. Staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs) heeft laten weten het hier in principe mee eens te zijn. Maar om de kwaliteit te verbeteren is meer nodig. De scholen moeten versnippering van opleidingen tegengaan en afspreken wie wat aanbiedt. In zijn rapport beval Dijkgraaf aan dat ze zich ‘profileren’ en de opleidingen met weinig studenten afstaan aan andere. Hij zei: „Als iedereen alles pretendeert te kunnen, zal niemand iets werkelijk realiseren.” Het heeft weinig zin om op drie scholen, pakweg, drie studenten fagot te hebben.

Over het principe van profilering zijn de scholen het eens maar nog niet over de vraag wie welke opleidingen houdt en vooral: wie wat opgeeft. Dat is de reden dat Elco Brinkman, voorzitter van Bouwend Nederland die het overleg tussen de scholen begeleidde, half mei liet weten dat ze het zelf maar moesten regelen. In een interview in deze krant zei hij: „Ze moeten intensiever samenwerken en dat gaan ze per regio bekijken. Ik houd me beschikbaar voor aanvullende suggesties.”

Dit najaar moeten de scholen laten weten welk profiel ze zichzelf aanmeten. Ze zullen opnieuw over hun schaduw moeten stappen, in het algemeen belang. Of, zoals Brinkman aanraadde: „Bekijk het vanuit de kunstbeoefening.”