Ik weet dat wij kleine stapjes gaan zetten

Majoor Frank van Veldhuizen (47) zegt het maar gewoon. Hij gaat naar Kunduz „om mijn steentje bij te dragen aan een stukje wereldvrede”. Sommige mensen zullen dat misschien naïef vinden, maar marechaussee Van Veldhuizen schaamt zich niet voor zijn idealisme. „Al is het een druppel op een gloeiende plaat. Als we iets kunnen doen voor de mensen in Afghanistan, moeten we het proberen.” En hij kán helpen. „Niet met geld of met materialen, maar met kennis.”

Vandaag vertrekt hij naar Kunduz. Hij is vol verwachting over de missie. „Ik probeer mezelf een beetje te temperen, want ik ben erg resultaatgericht. Maar ik weet dat wij, als eerste lichting, kleine stapjes gaan zetten. Wij moeten vooral een goede inventarisatie maken van de situatie in Kunduz.”

Frank van Veldhuizen kan daar niet een politiebureau binnenstampen in zijn camouflagepak van de landmacht, met zijn Colt-geweer en zijn donkerblauwe marechausseebaret op, en de lokale agenten vertellen hoe ze hun werk moeten doen. Hij zal daar niet in een paar maanden een wereld van verschil maken, zo realistisch is hij wel. „We zullen moeten kijken naar de wensen van de Afghanen. Het is en blijft hun land.”

Van Veldhuizen gaat in Kunduz vijf maanden leiding geven aan zes Nederlandse teams. Die worden verantwoordelijk voor de begeleiding van agenten van de Afghaanse nationale politie tijdens hun werk op straat. De teams zijn onderdeel van de NAVO-operaties in de provincie. In de Nederlandse hiërarchie heeft Van Veldhuizen alleen de commandant van de missie, Ron Smits, boven zich. De majoor noemt zichzelf „het chefje” van de militairen. Hij gebruikt sowieso graag verkleinwoordjes.

Frank van Veldhuizen wil een bescheiden gast zijn in Afghanistan. „Het moment dat je wordt uitgenodigd om thee te drinken, schijnt het moment te zijn dat je zaken kunt doen. Dat moeten we zien te bereiken.”

Toen de Nederlandse missie naar Kunduz in januari vorm begon te krijgen, werd Van Veldhuizen verteld dat hij een goede kandidaat was om voor de marechaussee als eerste die kant op te gaan. „Het is een van de dingen die bij je werk hoort. Wij worden niet zo vaak uitgezonden als bij de landmacht, maar elke zes à zeven jaar kloppen ze bij je aan.” Thuis wisten ze dus ook dat het in de lucht hing. In Leiden moeten zijn vrouw, zijn dochter van 18 en zijn zoon van 14 het wederom een paar maanden zonder hem stellen.

Dit is de tweede keer dat hij op een internationale missie gaat. In 2004 was hij in Irak. Daar had hij de traditionele marechausseetaak om op te treden als militaire politieagent, bij diefstallen of schietincidenten waarbij Nederlandse militairen betrokken zijn.

Nu heeft Frank van Veldhuizen de leiding van een opleidingsmissie buiten de veiligheid van het eigen kamp. „Ik besef dat we ons werk in een gevaarlijke omgeving gaan doen. Hoe gevaarlijk? Dat kan ik pas inschatten als ik er ben.”