Hier heb ik alles

Soms geboren, altijd getogen in Nederland.

Zo’n 2.000 verwesterde kinderen van asielzoekers moeten terug – maar ze voelen zich Nederlander.

Voetbalvereniging s.v. Huizen zal balen als Aziz (11) en Ramadan (9) terugmoeten naar Sierra Leone. De broertjes spelen goed. Na schooltijd voetballen ze meestal. „Of ik speel bij een vriendje”, zegt Aziz. Hij heeft veel vrienden, zegt hij.

„Zeker vijfhonderd”, zegt Ramadan.

Aziz en Ramadan Kargbo en hun moeder Isata Kamara (37) zijn uitgeprocedeerde asielzoekers. In 2002 ontvluchtte Isata Kamara met haar kinderen – Aziz 2 jaar, Ramadan 9 maanden oud – de rebellen in Sierra Leone. Via buurland Guinee bereikten ze Nederland. Ze kwamen niet in aanmerking voor het generaal pardon in 2007, daarvoor hadden ze voor april 2001 in Nederland asiel moeten aanvragen. Sierra Leone is volgens ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken weer veilig. Ze moeten terug.

Eerst woonden Aziz en Ramadan met hun moeder in asielzoekerscentra. Al snel kwamen ze terecht in Huizen. De jongens groeiden daar op. Ze zitten er op de basisschool en zijn trots op hun medaille van de avondvierdaagse. „Ik ben een Gooise jongen”, zegt Aziz. Hij weet dat het grappig klinkt uit de mond van een zwart jongetje en daarom zegt hij het ook. Maar het is ook waar. Hij ís een Goois jongetje. Aan Sierra Leone heeft hij geen enkele herinnering.

Zijn moeder zou willen dat ze geen enkele herinnering had. Ze probeert te vertellen over rebellen die vrouwenborsten afsnijden, de buik van zwangere vrouwen openrijten, kinderen in een draagdoek op hun moeders rug vermoorden. Ze stokt. De jongens zitten stil naast haar op de bank. Dit horen ze niet dagelijks. Isata Kamara kreeg jarenlang hulp om haar trauma’s te verwerken. Aanvankelijk gingen de twee jongens een dag per week met haar mee. Haar trauma was ook hun trauma.

Het was het Afghaanse meisje Sahar dat de politieke aandacht wekte voor de kwestie van de verwesterde kinderen. Minister Leers (Immigratie, CDA) besloot uiteindelijk dat ze kon blijven omdat ze als verwesterd meisje in Afghanistan geen leven zou hebben.

Er zijn meer kinderen als Sahar, naar schatting zo’n 2.000. Het gaat om kinderen die net als Sahar in Nederland zijn opgegroeid, naar school gaan, vrienden hebben, Nederlands spreken, zich Nederlander voelen. Het land waar hun ouders vandaan komen, kennen ze niet of nauwelijks. Zij vragen zich af: waarom Sahar wel en zij niet?

Ze verschijnen in krantenartikelen en in televisieprogramma’s. In perfect Nederlands vertellen ze hoe bang ze zijn om straks alles wat hun lief is kwijt te raken. Steeds meer mensen zien de gezichten, denken onbewust aan hun eigen kinderen, een neefje, een buurmeisje. Ook zij vragen zich af: waarom Sahar wel en zij niet?

Minister Leers liet Sahar blijven wegens de situatie in Afghanistan. Verschillende organisaties en Kamerleden pleiten voor een verblijfsvergunning voor deze kinderen wegens hun situatie in Nederland. Het zijn Nederlandse kinderen, ze zijn hier geworteld, zeggen ze.

Defence for Children stelt al jaren dat kinderen die vijf jaar of langer in Nederland wonen en naar school gaan, een verblijfsvergunning moeten krijgen, en richtte de vereniging Wij blijven! op. De ouders hebben asiel aangevraagd, dat is afgewezen. Maar het uitzetten naar het land van herkomst is mislukt. Soms omdat ze niet weg wilden, soms omdat ze niet weg konden, soms omdat ze niet weg durfden. „Hun kinderen kunnen daar niets aan doen”, zegt Carla van Os van Defence for Childeren. Kinderen naar een voor hen onbekend land overbrengen druist wellicht niet in tegen de Vreemdelingenwet. Maar wel tegen het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.

Tweede Kamerlid Hans Spekman (PvdA) bereidt een initiatiefwet voor. Hij wil dat kinderen die acht jaar of langer in Nederland zijn mogen blijven. Mits de overheid aantoonbaar heeft gefaald bij de uitzettingsprocedure. „Dat is streng, maar anders zet je de deur open voor misbruik”, zegt Spekman. „Dan gaan ouders expres tijd rekken om maar aan die acht jaar te komen.”

Mina William zou in die regeling wellicht mogen blijven. Hij is twaalf jaar en hier geboren. Hij ziet eruit als een achtstegroeper, maar hij gedraagt zich als een volwassene. In het trappenhuis hangt een keurig briefje in kinderhandschrift: „Zullen we samen de trap schoonhouden?” Geschreven door Mina.

In de huiskamer staat de tafel vol limonade en koekjes. Mina en zijn zusje Mariam van bijna acht lachen vriendelijk, maar de zwaarmoedigheid hangt als een deken over het gezin. Hier wordt veel gehuild.

De ouders van Mina komen uit Egypte. Ze zijn christen en moesten vluchten. Vader Emad William zit op de bank en vertelt gretig zijn verhaal. Mina vertaalt rap, hij doet dit vaker. Zijn ouders werd het leven in Egypte onmogelijk gemaakt, vertelt hij. Ze raakten alles kwijt, ook hun goedlopende autobedrijf. De moeder van Mina was zwanger van hem toen ze met haar man in 1998 in Nederland aankwam.

De situatie nu? Nog veel erger, zegt vader Emad. Mina vertaalt met grote ogen. Als zijn vader zegt dat hij desnoods alleen teruggaat, maar over zijn lijk zijn gezin mee terug neemt, begint Mina te snikken. Zijn vader trekt hem onhandig tegen zich aan.

Het gezin vroeg geen asiel aan, daarom viel het buiten het generaal pardon. Egypte wordt als een veilig land gezien. „Veilig”, briest vader, „niet voor mij”. Emads angst is Mina’s angst geworden. „Ik word doodgemaakt in Egypte”, fluistert Mina. „Omdat ik een kruis draag.” Zijn vader heeft het hem zelf verteld.

Of dat klopt, is de vraag. Maar hij zegt nog iets: „Ik ben een Nederlandse jongen en geen Egyptische.” En dat klopt. Mina gaat volgend jaar naar de brugklas van het Stanislas College in Rijswijk. Hij wil piloot worden of architect. Hij volgt de tienersoapserie Spangas. Hij leest Carry Slee.

In het weekend gaat het gezin naar de kerk. Via diezelfde kerk krijgen ze wat geld om van te leven. Soms komt er met schnabbeltjes wat bij. Er is geen geld voor een nieuwe bril voor de kinderen. Of voor sportlessen. Emad krijgt wel medicijnen voor zijn zware epilepsie, want die is zonder medicatie levensbedreigend.

Mijn vader voelt zich machteloos, vat Mina het verhaal zelf maar even samen. En hoe voelt hij zich? Ik voel me verdrietig, zegt hij. „En ook best wel belangrijk in de familie. Maar andere kinderen hebben een leukere tijd met hun ouders.” Zijn moeder zit stil in een stoel.

Minister Leers kan per kind beslissen of het niet toch mag blijven. Hij maakt dan gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid. Leers doet dat ook af en toe, zijn woordvoerder wil niet zeggen hoe vaak precies. Hij geeft een indicatie: tussen de twintig en vijftig keer sinds zijn aantreden als minister. De kinderen weten dat en schrijven hem persoonlijke brieven. Leers moet een hele stapel hebben liggen.

Ook Mathursahan Arunothayan schreef een brief naar minister Leers. Hij is achttien, gaat na de vakantie naar 6 vwo, wil geneeskunde studeren. Maar hij moet terug naar Sri Lanka, het land waar hij nauwelijks heeft gewoond. Wel was hij zes jaar in Zwitserland en tien jaar in Nederland.

Met zijn jongere zusje, broertje en moeder woont hij in het asielzoekerscentrum in Oude Pekela. Ze delen een woning met een ander gezin. Keuken, toilet en huiskamer gebruiken ze samen. Privacy is er nauwelijks. Mathursahan slaapt met zijn broer in een tweepersoonsbed, zijn moeder en zusje hebben er ook een.

Ideaal is het niet. Maar ach, wat is ideaal? Mathursahan redt zich wel zolang hij maar mag blijven. Terug naar Sri Lanka wil hij absoluut niet. Dan raakt hij alles kwijt wat hij heeft opgebouwd.

„In Nederland heb ik alles”, schrijft hij aan Leers. „Vrienden, kennissen, familie. Ik heb hier een Nederlandse vriendin, met wie ik gelukkig ben. We hebben grootse toekomstplannen, maar ook die kunnen nu niet doorgaan, omdat ik terug moet.”