Geen fout en geen goed

Vormgever Marike Knaapen was in Rwanda om de lay-out van een dagblad te verbeteren.

In Rwanda is vrijheid nu ondergeschikt aan het algemeen belang, ontdekte ze.

Kigali is een frisse, mooie en goedgeorganiseerde stad. Ik zie dure auto’s van ngo’s, mooie hotels en strakke appartementencomplexen. De lucht ruikt licht naar houtskool en de wolken zijn schitterend in dit regenseizoen. De vrouwen van Rwanda staan bekend om hun betoverende schoonheid en de mannen gaan hier prachtig gekleed. Ik kijk mijn ogen uit, naar de mooie mantelpakjes van de vrouwen en de fantastische schoenen van de mannen. Zou Kigali het Rome van Afrika zijn?

Rwanda. Een klein landje tussen Congo en Tanzania. Het land van de duizend heuvels en van de berggorilla’s. En het land waar zeventien jaar geleden de Hutu’s in enkele weken bijna een miljoen Tutsi’s hebben vermoord. Of afgeslacht, zou je ook kunnen zeggen.

Ik ben in Kigali omdat ik twee weken lang de vormgevers van The New Times ga trainen en samen met hen problemen op het gebied van vormgeving ga oplossen. The New Times is een dagelijkse, Engelstalige krant. De redactie bestaat hoofdzakelijk uit jonge mensen. De hoofdredacteur is rond de dertig, net als mijn hoofdredacteur bij nrc.next. En de meeste journalisten zijn rond die leeftijd. Maar ik kom niet achter hun echte leeftijd. Hoe ouder je bent, hoe meer respect je krijgt. Dus lieg je over je leeftijd. Net als bij ons in Europa. Alleen, bij ons lieg je jezelf jonger en niet ouder.

Ik ben benieuwd wie de jongste is. Ik kom er in eerste instantie niet achter. Maar door mijn ogen en oren open te houden, door kleine signalen op te vangen, door te vragen maar niet te direct, en door op de juiste momenten stil te zijn, vertelt iemand me na dagen wie de jongste is. Ik leer ervan dat mijn Nederlandse directheid niet de juiste manier is om deze aardige, verlegen mensen te begrijpen of achter hun problemen te komen.

De redactie is hiërarchisch georganiseerd en ‘mijn’ vormgevers staan onderaan de hiërarchie. De reporters schrijven de artikelen. Die worden door de redacteuren nagekeken. Laatsten in deze rij zijn de vormgevers. Zij wachten. En Facebooken. Totdat de stukken heel langzaam binnenkomen.

De internationale pagina is vroeg klaar. Logisch, want de inhoud wordt gewoon van de BBC-website geknipt en vervolgens in The New Times geplakt. Inclusief de lageresolutiefoto’s. Ik val de eerste dag bijna van mijn stoel als ik dat zie gebeuren. Maar een krant in Rwanda heeft geen geld voor correspondenten of voor een abonnement op een persagentschap. Dat is ook niet erg. De BBC heeft goede stukken, en zo doen alle kranten het in Afrika.

Door de hiërarchie hebben de vormgevers een nogal gelaten houding. Bij nrc.next bemoei ik me vaak met de inhoud van stukken. Als een kop niet past eis ik een nieuwe kop van een redacteur. Hier gaat dat fundamenteel anders. Ik denk aan de woorden van mijn hoofdredacteur, Rob Wijnberg: „Marike, dit gaat een lesje in nederigheid worden voor je. Want daar in Rwanda moet je gewoon doen wat je opdragen wordt. En daar gaat niemand de koppen voor je aanpassen.” Hij heeft zo ontzettend gelijk gekregen. De vormgever maakt hier de kop passend door deze eindeloos groter of kleiner te maken tot de kop past. Met als gevolg dat de krant er niet uitziet. Dat zien ze zelf ook wel. Maar er is niemand om een nieuwe kop aan te vragen, de redacteuren zijn al naar huis.

Op dag drie werk ik samen met een vormgever aan de sportpagina. De hoofdfoto was die van een keeper uit het nationale team. Gemaakt door Timo, de fotograaf van The New Times. Dat stemt mij blij, want dat betekent een foto in hoge resolutie en dus van goede kwaliteit.

Maar bij het openen van de foto blijkt de resolutie toch extreem laag te zijn. De vormgever en ik zien dat de foto van internet komt. Hoe kan dit? Ik ga naar Timo. Hij belt met de redacteur en het gesprek gaat over in de lokale taal, het Kinyarwanda. De vormgever roept boos iets over de zaal en de fotograaf en ik duiken het digitale fotoarchief in. We zoeken naar dezelfde foto, maar dan in hoge resolutie.

Bij het NRC-fotoarchief voer je een keyword in, in dit geval de naam van de keeper. Zo vind je binnen een seconde alle foto’s die je zoekt. Hier werkt het systeem van trefwoorden nauwelijks. Het programma dat je daarvoor nodig hebt vraagt veel werkgeheugen van de computer. Omdat de computer al vol grote bestanden staat wordt het zoekprogramma niet gebruikt. Dus is een foto niet terug te vinden in het systeem. En dus zoekt een eindredacteur met Google op internet naar de foto. Dat werkt namelijk binnen twee seconden (de foto heeft eerder op de website van de krant gestaan). En zo kon het gebeuren dat de foto toch een lage resolutie had.

Ik weet niet op wie ik boos moet worden, want vanuit welk perspectief ik het ook bekijk, ik snap het wel. Maar ik ben hier om te zorgen dat de krant er beter gaat uitzien. En ik wil dus geen lageresolutiefoto’s in de krant. Maar een oplossing heb ik ook niet. Een probleem oplossen, betekent hier vaak dat er een groter probleem aan de oppervlakte komt. Dus accepteer je veel. En doe je wat je kunt. En dat doet iedereen zo goed mogelijk.

Op een avond heb ik hard gewerkt met de vormgevers. Ik heb het gevoel dat we een mooie krant hebben gemaakt. Ik ben blij en trots op de vormgevers en ga tevreden slapen. De volgende dag ga ik op zoek naar de krant. De krantenverkopers die op de parkeerplaats rondhangen, zijn er niet. De supermarkt waar ik de krant steeds heb gekocht probeert me de krant van gisteren te verkopen. Bij het postkantoor ligt de krant ook niet. Ook op de redactie heeft niemand de krant nog gezien. „Ach, die zal wel niet gedrukt zijn”, zegt een van de redacteuren. „Dan komt-ie later. Misschien.” Wanneer – en zelfs of – de krant zal verschijnen is elke dag weer een verrassing.

Bij The New Times wordt dagelijks de nadruk gelegd op het welvaren van Rwanda. Want dit land heeft geen baat bij onrust. Het uitstekend functioneren van het land en van de president Kagame wordt dus groot uitgemeten in de krant. Het wringt met mijn idee over persvrijheid. Op een dag plaatsen we een hele grote foto van de president. De volgende dag zie ik het zeer opgeluchte gezicht van een van de vormgevers als de foto van Kagame goed gedrukt blijkt te zijn. Ik vraag niet verder, maar hoor in de wandelgangen dat werknemers van de president bellen als de foto van de president slecht is afgedrukt.

Ik word er boos van. Tegelijk besef ik dat je niet zwart-wit kunt denken in dit land. Rwanda bevindt zich in grijs gebied. En mijn oordeel is ongepast. Met terugwerkende kracht schaam ik me voor mijn grapje van gisteravond: dat ik het land uitgegooid zou worden als de reproductie van de foto mislukt. Maar ik leer en accepteer het meer en meer. Zo doen mijn collega’s het ook. De redactie lijkt af en toe een uitgeblust zooitje. Zeker vergeleken met de hysterische redactie die wij bij nrc.next soms zijn. Wij praten in de vergaderingen allemaal – en het liefst allemaal door elkaar heen.

Op internet vind ik een omschrijving van het begrip vrijheid: „Vrijheid wordt meestal gezien als de mogelijkheid om te doen en laten wat men wil terwijl een ander dat ook kan, zowel in lichamelijke als in geestelijke zin.” In Rwanda is vrijheid nog ondergeschikt aan het algemeen belang. Want de vrede is wankel en de herinnering aan de genocide vers. Ik ben even lamgeslagen. Soms is er geen fout en geen goed.

De laatste dag in Kigali lunch ik in een klein restaurantje in de buurt van de krant. Ik kom er een paar collega’s tegen. Terwijl we bonen en rijst eten, praten we over de krant. Over de vormgeving. Ze vinden de krant er beter uitzien. Ik ook. De krant is rustiger, overzichtelijker, frisser. Ik ben blij. En vervolgens praten we over de liefde, relaties en over wat we in Nederland eten. Sommige dingen zijn zo anders hier, maar andere dingen zijn zo hetzelfde.