Amerika's Untergang?

Herfsttij – een mooi woord voor een tijdperk dat ten einde loopt. Huizinga, die van mooie woorden hield, gebruikte het voor de titel van het boek dat zijn internationale reputatie zou inluiden: Herfsttij der Middeleeuwen (1919), dat in vele talen zou verschijnen. De Engelse uitgave luidde The Waning of the Middle Ages, waarvan in 1999 nog een editie in New York zou verschijnen.

Waning – het afnemen, verminderen, verbleken, tanen – is een woord dat je de laatste tijd steeds meer in de Engelstalige pers tegenkomt, maar dan toegepast op de macht van de Verenigde Staten. Is die aan het afnemen? Oppervlakkig gezien, zou je het zo zeggen. Amerika blijkt niet in staat de twee oorlogen die het in Irak en Afghanistan is begonnen te winnen, en het staat voor een biljoen dollar in het krijt bij China (wat overigens ook betekent dat dit geen belang heeft bij Amerika’s ondergang).

Maar als er van machtsverlies sprake is, dan is dit relatief. In absolute zin blijft Amerika nog verreweg de sterkste: de onmisbare mogendheid. En zelfs op het toppunt van zijn macht, toen het de Sovjetunie als concurrent had uitgeschakeld, kon het niet overal zijn wil doorzetten: in het Israëlisch- Palestijns conflict evenmin als in Noord-Korea en Iran.

Ook is het niet de eerste keer dat er gelamenteerd wordt over Amerika’s tanende macht: toen de Koreaanse Oorlog in 1953 op een patstelling uitliep (die tot heden toe bestaat), werd al vastgesteld dat dit de eerste oorlog was die Amerika niet gewonnen had, en twintig jaar later verloor het zelfs de oorlog in Vietnam. De ontruiming van Saigon in 1975 leek op een vlucht.

In die jaren sprak zelfs Henry Kissinger, toen de genius achter Amerika’s buitenlandse politiek, in termen die deden denken aan Der Untergang des Abendlandes van zijn vroegere landgenoot Oswald Spengler (Kissinger verliet zijn geboorteland toen hij vijftien was). Toen de Portugese Anjerrevolutie van 1974 in communistisch vaarwater dreigde te komen, legde hij zich daarbij vrijwel neer. Ruslands invloed strekte zich toen, met Castro’s Cubanen als zijn agenten, tot over Ethiopië en Angola uit.

Nog vroeger was al het einde der tijden aangekondigd geweest. Toen China in 1949 communistisch werd, werd in Amerika gesproken over „het verlies van China”. Alsof Amerika China ooit bezeten had! Toch gaf deze mythe een geweldige impuls aan de anticommunistische hysterie die zich, aangeblazen door senator Joe McCarthy, over Amerika verspreidde. Er was een ex-generaal, president Eisenhower, voor nodig om daar in 1955 een einde aan te maken.

Deze keer echter heeft het gespeculeer over Amerika’s tanende invloed iets meer grond. Het is onmiskenbaar dat het zich nu geconfronteerd ziet met een concurrent op het wereldtoneel wiens macht, anders dan die van de voormalige Sovjetunie, niet op lemen voeten lijkt te staan en zijn expansie niet in de eerste plaats met militaire middelen poogt te bevorderen: China.

Maar het staat nog allerminst vast dat China Amerika’s plaats als nummer één zal innemen. Het tempo waarin zijn economische groei zich voltrekt, moet wel onvermijdelijk tot interne spanningen leiden. Het is in zo’n geval normaal dat leiders afleiding zoeken in het creëren van een vijandige buitenwereld. Nationalisme kan alles weer ongedaan maken wat in korte tijd bereikt is.

Dat zal dan Amerika nog meer noodzaken zijn aandacht naar China te verleggen. President Obama heeft zichzelf al Amerika’s eerste Pacific president genoemd. Amerika’s relatieve machtsverlies gaat, met andere woorden, vooral ten koste van Europa, dat zelf tot ongekende welvaart is kunnen komen onder de beschermende vleugelen van Amerika.

Nu Europa steeds meer op eigen benen moet staan, blijkt het de kracht en de eenheid daartoe niet te kunnen opbrengen. Zelfs een operatie dicht bij huis als die tegen Libië kan het niet met vereende krachten en zonder Amerikaanse logistieke steun volbrengen. Er is dus meer reden om van Europa’s dan van Amerika’s herfsttij te spreken.

Op één gebied is Amerika in elk geval nog ongeëvenaard, zonder uitvloeisel te zijn van enig regeringsbeleid. Dat is het gebied van wetenschap en cultuur. De Nobelprijzen voor wetenschap gaan nog steeds grotendeels naar Amerika. Met zijn films en muziek veroverde het de wereld toen het nog isolationistisch was. Natuurlijk wekte dit ook veel weerstand, vooral bij de oude sociale en culturele elites, die Amerika het recht ontzegden een cultuur te hebben.

Maar de massa’s reageerden anders. Het is dan ook een democratische cultuur, die meer doordringt tot in de vezels van de massa dan het werk van de eigen gesubsidieerde kunstenaars. Het „nog een fijne dag verder”, dat je overal toegewenst wordt, is een directe afstammeling van het Amerikaanse have a nice day.

Noch de Sovjetunie noch China noch de Europese culturele centra kunnen bogen op soortgelijke invloed. En met de zich almaar vernieuwende technologie wordt die invloed steeds sterker. Huizinga, met zijn hoge esthetische idealen, zou ervan gegruwd hebben, zoals hij al deed toen hij zijn In de schaduwen van morgen in 1935 schreef. Maar morgen is sindsdien vandaag geworden – een vandaag waarvan wij de cultuur niet altijd hoeven te bewonderen om toch de invloed ervan te erkennen. Nog een fijne avond verder.