Witte hitte, zweet, vrolijkheid en dansen met vervlochten armen

Aan de omhelzingen kan ik voelen dat ik hen twee jaar niet heb gezien, mijn vrienden. Waarom, vraag ik mij af, in de greep van Spaanse, Griekse, Portugese en Italiaanse armen, waarom heb ik een jaar overgeslagen, waarom is het niet altijd zo?

Diezelfde week heb ik met een internationaal schrijvend gezelschap gedanst en gezongen in Finland. Ik heb een lange rij zwetende Finnen omhelsd. Dat leek hierop. Soms bestaat het, tussen mensen, soms overstijgen ze zichzelf, zijn ze samen. Heel lang mag zo’n samenzijn niet duren, denken wij, eer het vergaat, wij zijn mensen.

Maar wij kunnen terugkeren, jaar na jaar, voor korte weken. De vrienden en ik, wij hebben daar een eiland voor, en een periode. We kijken naar foto’s van tien jaar geleden. Tien.

Twee van onze vrienden trouwen, de rest is er ook, het hele eiland viert mee. Witte hitte, zweet en vrolijkheid, dansen met vervlochten armen, speeches en gelach, de kleren die we droegen, kinderen die nu pubers zijn, lange warme nachten, onze geheimen, de zee.

Een half jaar na de bruiloft bleek er een hersentumor in het hoofd van de bruidegom te zitten. Hij werd verwijderd, de man heeft geluk gehad, zijn vrouw veel geduld, niets was nog hetzelfde. Ze lachen op elke foto, dansen de nacht door, mooier dan ooit.

De Amerikaan die een speech houdt, gaat elke ochtend zwemmen. Sterk als een stier, minnaressen op elk continent, jonge vader op zijn achtenvijftigste, goedlachs. Twee jaar kwam hij met een rolstoel, zijn lichaam langzaam leeggegeten door een spierziekte. Het jaar daarna strooiden we zijn as van de rotsen, zodat hij samen met de zee het eiland voor eeuwig blijft omarmen. De eerste foto waarop hij staat, doet ons in koor zijn naam zuchten.

Tien jaar. We trouwden bijna in ons eigen land en dan toch niet. We trouwden bijna met elkaar en dan toch niet. We vlogen naar elkaars landen, met telkens nieuwe partners. We maakten films, schreven boeken, feliciteerden elkaar. Sommigen onder ons kregen kinderen, de meesten niet. Sommigen werden dikker, anderen grijs. Ze zeggen dat ik alsmaar jonger word, ze zijn mijn vrienden.

We nemen vliegtuigen naar huis, waar het niet slecht is, waar ook mensen zijn die van ons houden, waar we besloten te blijven. We vliegen terug zoals altijd, met een hart van tien jaar zwaar, nog in leven.