Voor drieënveertig euro zestig humus

Er gaat weinig boven een supermarkt. Het ruikt er lekker. Je kan spieken in de mandjes van anderen. Er zijn schappen die gesorteerd worden op thema’s als ‘Aziatisch’, ‘voor op brood’ en ‘alles in een glazen potje’. Er zijn semi-zongedroogde tomaten, tubes met vloeibare kaas en twintig verschillende soorten ontbijtkoek. Er zijn aanbiedingen. Er zijn

Er gaat weinig boven een supermarkt. Het ruikt er lekker. Je kan spieken in de mandjes van anderen. Er zijn schappen die gesorteerd worden op thema’s als ‘Aziatisch’, ‘voor op brood’ en ‘alles in een glazen potje’. Er zijn semi-zongedroogde tomaten, tubes met vloeibare kaas en twintig verschillende soorten ontbijtkoek. Er zijn aanbiedingen. Er zijn zelfs wervende zinnen voor producten als boter: goed smeerbaar! Lekker voor op brood!

Eén van de dingen die zeker niet onderschat mogen worden aan het supermarktplezier, is de prijssticker. Een supermarkt windt er geen doekjes om: dit gaat het je kosten, hier is nog een apparaat waarmee je de streepjescode kan scannen om enige onduidelijkheid te voorkomen, geef ons nu geld alsjeblieft.

Ik vind dat overzichtelijk. En overzicht is geruststellend.

Nu woon ik in een buurt waar ook een echte markt zit. Dat heeft veel prettige kanten: ik haal elke ochtend vers brood en als ik opeens een radiografisch bestuurbare auto wil kopen, is die altijd in de buurt. Toch durf ik niet bij alle kraampjes iets te kopen – vooral de chique delicatessenstalletjes zijn een probleem.

Men zegt weleens dat je op de markt altijd zo goedkoop uit bent. Dat moeten ze me toch eens voordoen. Bij mij gebeurt er namelijk dit: ik sta voor een uitgebreide verzameling bakken vol salades, noten en olijven. Daarachter staat een marktverkoper. Marktverkopers zijn doorgaans intimiderende wezens. Ze hebben altijd gelijk, zijn resoluut en hebben de meest gespierde stembanden van het westelijk halfrond. De marktverkoper vraagt of hij mij kan helpen, waarop ik vertel dat er een paar mensen langskomen, die ik iets te eten wil geven. Hierop begint het: de man laat plots vingervlug een paar formaten bakjes zien, wijst verschillende gerechten aan – „Humus? Wasabinootjes? Pepertjes gevuld met feta?”, wat hij aanvult met een spervuur aan gewichten: „Onsje doen? Grammetje of twee? Halve kilo? Misschien een hectogram erbij? Mag het ook wat meer zijn?” – en schept vervolgens vlug de bakken vol. Met groeiende paniek kijk ik toe hoe er zich langzaam een stapel bakjes vormt, tot hij uiteindelijk alles op de weegschaal zet, er even vlug naar kijkt en zegt: „Dat wordt dan drieënveertig euro zestig.”

De enige oplossing voor dit moment: je beste pokerface. Terwijl je het bedrag in je hoofd hoort echoën en stilletjes een beetje aan het sterven bent, blijf je de marktverkoper aankijken en pers je er een glimlachje uit. Alles aan je moet duidelijk maken: natuurlijk. Drieënveertig euro zestig. Dat geef ik elke week wel uit aan humus, eigenlijk. Ik ga zo nog even voor zevenenzestig euro aan vis kopen en dan zit mijn marktdagje er wel weer zo’n beetje op. Vooral niet vragen of het echt wel klopt, niet vragen of de humus toevallig van kikkererwten die ooit door civetkatten zijn uitgepoept gemaakt is, niet vragen of hij misschien weer een beetje terug kan schrapen. Gewoon betalen, de tassen pakken en weglopen.

Daarom hou ik van de supermarkt. Daar word ik niet zo arm van.