Twee echo's? Wel vijf als het nodig is

Twee echo’s zijn standaard voor zwangere vrouwen; drie voor 35-plussers. Zo zijn afwijkingen aan de vrucht vroeg te zien. Maar soms blijkt statistiek moeilijk.

Marianne Alderliesten schuift met een apparaatje over een grote vrouwenbuik. Onder de navel en langs een mooie tatoeage. Op haar scherm is een grijze massa te zien, met lichte en donkere vlekken die wiebelen. Gynaecoloog Alderliesten ziet daar van alles in. Of het hart vier kamers heeft. Of de ruggegraat in orde is, zelfs de bovenlip. Bij deze vrucht checkt ze of er nieren zijn. De broer van deze moeder overleed na de geboorte omdat hij geen nieren bleek te hebben. Ze zijn d’r.

Nog geen tien jaar geleden moest een zwangere vrouw smeken om een echo. Om de baby te zien en te weten of het een jongen of meisje werd. Alleen als arts of verloskundige de echo medisch nodig achtte, mocht het en vergoedde de verzekeraar dat. Op de weinige plekken waar men een echoapparaat had, kon de vrouw het vurig gewenste fotootje krijgen.

Anno 2011 krijgen zwangere vrouwen standaard twee echo’s, vaak drie, leert een bezoek van enkele dagen aan de afdeling gynaecologie en verloskunde van het Zaans Medisch Centrum. Alles is erop gericht risico’s te taxeren. De eerste echo, met ongeveer tien weken, toont hoe oud de vrucht precies is en hoe ver hij zich dus zou moeten hebben ontwikkeld. De tweede, met twaalf weken, is een detectietest voor het syndroom van Down en andere al zichtbare afwijkingen. Die krijgen alleen vrouwen van boven de 35 jaar vergoed door de verzekeraar. En de derde, met 20 weken, is om te zien of het kind grote afwijkingen heeft. Een open rug, een hartafwijking, waterhoofd of hazelip.

Het spreekuur in de echokamer van Alderliesten is vanmiddag alleen voor vrouwen met een ‘verhoogd risico’. Zij krijgen meer echo’s dan de twee of drie die gezonde moeders krijgen. Voor sommigen is dit al de vijfde. Elke mogelijke afwijking wordt opgespoord.

Zoals bij de vrouw die zelf drie nieren heeft. Alderliesten zoekt bij de foetus ook drie niertjes. Het lijkt erop dat die er zijn. Dat is op zichzelf niet erg, legt ze uit. Het geeft een hogere kans op blaasontsteking. Na de geboorte zal de kinderarts er weer naar kijken. En dan is er de vrouw die medicijnen slikt voor haar eigen schildklieraandoening. Ze is 31 weken zwanger. Alderliesten kijkt of de hartslag en de hals van de foetus een gewone indruk maken. Dat is zo. Niks aan de hand. Ze noemt elke foetus ‘hij’, zodat ze zich niet vergist. Sommige ouders willen beslist niet weten of het een jongen of een meisje is.

De 20-wekenecho is in 2007 ingevoerd voor alle zwangeren om foetussen met ernstige afwijkingen eerder dan voorheen op te sporen. Een zwangerschap mag tot 24 weken worden afgebroken. De ouders hebben, bij slecht nieuws, dus een paar weken om na te denken: zetten we de zwangerschap voort of niet? In Nederland lieten artsen en ouders baby’s met heel zware afwijkingen vaak ná de geboorte alsnog sterven. Dat heet palliatieve sedatie. Daar werd in het buitenland vreemd tegenaan gekeken. Sinds 2007 komt dit minder vaak voor omdát er meer zwangerschappen worden afgebroken tussen 20 en 24 weken. Kiezen de ouders ervoor de baby te houden, dan heeft de arts meer tijd om de ouders op de toekomst voor te bereiden.

Vroeg in de zwangerschap (tussen 10 en 15 weken) zijn allerhande tests mogelijk voor downsyndroom. Probleem van alle screening, vertelt Alderliesten, is dat veel mensen de statistiek niet begrijpen. „Als ik zeg: uit deze echo blijkt dat uw kans op een kindje met downsyndroom één op vijftig is, dan zeggen ze soms: ‘o, dat valt mee! Ik heb dus 49 op 50 kans dat het geen downsyndroom heeft’.” Een op vijftig geldt als verhoogde kans. Als alle duizend vrouwen die jaarlijks in het Zaans Medisch Centrum bevallen zo’n inschatting maken, zouden er elk jaar twintig kinderen met downsyndroom worden geboren. Een gezonde vrouw van 25 jaar heeft een kans van één op 1.250 dat haar baby downsyndroom heeft.

En zelfs als patiënten iets van statistiek begrijpen en een vervolgtest laten doen die geen downsyndroom uitwijst, dan is dat nog geen garantie op een gezonde baby. Ook al die echo’s bieden niet altijd uitsluitsel.

Daar kunnen de verpleegkundigen op de afdeling tijdens de pauze van half elf over meepraten. „Er komt heus nog wel eens een afwijking uit”, zegt een verpleegkundige tussen twee happen boterham door. De anderen knikken.

Verpleegkundige Miranda Boom vertelt van een echtpaar dat laatst heel boos was na de bevalling: de baby had downsyndroom. Verontwaardigd hadden ze gewezen op de test die zei dat de kans maar één op 1.000 was.