Schepper van duistere en zinderende wereld

Necrologie

Schilder Cy Twombly leidde een teruggetrokken leven, ver van het gewoel van de kunstwereld. Maar zijn belang is onomstreden.

Cy Twombly, de kunstenaar die gisteren op 83-jarige leeftijd aan kanker overleed, was een van de meest ongrijpbare naoorlogse Amerikaanse schilders. Met zijn vele verwijzingen naar literaire bronnen was hij te bedachtzaam om een ware abstract-expressionist te zijn, maar voor het minimalisme was zijn kinderlijke krabbelstijl weer te expressief. Twombly wordt inmiddels gezien als een van de belangrijkste kunstenaars van de twintigste eeuw. Maar gek genoeg liep hij zijn hele leven net een beetje uit de pas met de gangbare kunststromingen.

Twombly praatte haast nooit over zijn werk, waardoor dat beeld van de ongrijpbare schilder alleen maar werd versterkt. Sinds eind jaren vijftig woonde hij het grootste deel van zijn tijd in de Italiaanse kustplaats Gaeta, waar hij ver weg van de belangrijke kunstcentra aan zijn oeuvre bleef werken. Wanneer hij in Amerika was, verbleef hij niet in New York, maar in zijn geboorteplaats Lexington, een kleine stad in het zuiden. „Ik volg niet echt wat de mensen zeggen”, zei Twombly in 2008 in een zijn schaarse interviews tegen Tate-directeur Nicholas Serota. „Ik woon in Gaeta of Lexington en heb daar alle tijd voor mijzelf. Ik had mijn vrijheid en dat was fijn.”

Samen met schilders Jasper Johns en Robert Rauschenberg studeerde Twombly in 1951 aan het befaamde Black Mountain College in North Carolina, waar hij zwart-witte schilderijen maakte in de abstract-expressionistische stijl van zijn helden Willem de Kooning en Jackson Pollock. Ook toen al, vertelde Twombly aan Serota, was hij een eenling. „Jasper en Robert waren heel zelfbewuste enfants terribles. Ik deed gewoon mijn eigen ding.” Twombly was altijd ‘de derde man’, schreef criticus Robert Hughes – een schaduwfiguur naast zijn veel aanweziger vrienden.

Twombly, geboren in 1928 als Edwin Parker Twombly jr., ontleende zijn bijnaam aan zijn vader, die als pitcher bij de Chicago White Sox ‘Cy’ genoemd werd naar honkballer Cyclone Young. Als tiener studeerde Twombly bij de Spaanse schilder Pierre Daura, waarna hij de Boston Museum School en de Art Students League in New York bezocht.

In de zomer van 1952 reisde Twombly voor het eerst naar Europa, om samen met Robert Rauschenberg een jaar lang door Italië, Spanje en Noord-Afrika te zwerven – een ervaring die veel van Twombly’s vroege schilderijen beïnvloed heeft. De primitieve vormen op die doeken ontleende hij aan de etnografische kunst die hij in de musea in Rome zag. De krassen en krabbels die hij in de verflaag kerfde, herinnerden aan de hiëroglyfen uit de klassieke oudheid. In 1954 moest Twombly in militaire dienst. ’s Nachts maakte hij dan in het donker pentekeningen, in een poging een meer intuïtief handschrift te ontwikkelen.

De erkenning voor zijn lyrische, abstracte schilderijen kwam pas laat. In 1964 noemde Donald Judd zijn tentoonstelling bij de Leo Castelli Gallery nog een fiasco: „Een paar druppels en spetters en een sporadische potloodlijn.” Die aanvankelijke weerstand was begrijpelijk. Twombly maakte geen vrolijke drippings als Pollock of toegankelijke kleurvlakken als Rothko. Hij liet zich niet door herkenbare PopArt inspireren, maar door de oude Grieken. Zijn werk was weerbarstiger dan dat van zijn tijdgenoten, op het maniakale af. Maar toch, wie zich erin verdiepte, kon ook in die duistere werelden, dwangmatig met tekens vol geschreven, eindeloos verdwalen.

Dankzij de opkomst van het nieuwe expressionisme in de jaren tachtig werd die graffiti-achtige stijl van Twombly opeens populair bij jonge schilders als Basquiat en Schnabel. Inmiddels leveren de doeken van Twombly op veilingen miljoenen op. Sinds 1995 heeft de schilder bij de Menil Collection in Houston zijn eigen door Renzo Piano ontworpen privémuseumpje. Hier, in de zuidelijke Texaanse hitte, komt Twombly’s zinderende schilderkunst optimaal tot zijn recht – ver weg van de New Yorkse kunstscene, precies zoals hij het wilde.