Pijnlijk oordeel voor de Staat

Als de Staat jegens Muhamed Nuhanovic en Rizo Mustafic niet onrechtmatig had gehandeld „zouden zij in leven zijn gebleven”. Deze constatering in twee arresten die het Gerechtshof ’s-Gravenhage gisteren uitsprak, is uiterst pijnlijk voor de Staat der Nederlanden. Als gevolg van dit onrechtmatig handelen is de Staat bovendien de dood aan te rekenen van Ibro Nuhanovic, de vader van Muhamed, aldus het hof.

Na jarenlang procederen hebben enkele nabestaanden van Bosnische moslims, die in 1995 door Bosnisch-Servische militairen in Srebrenica zijn vermoord, hun recht weten te halen. Het gerechtshof lijkt zo een juridisch gat te dichten dat zichtbaar was geworden door een uitspraak van de Haagse rechtbank. Die wees in 2007 de eis van de nabestaanden en daarmee de verantwoordelijkheid van de Staat voor de dood van de drie Bosnische mannen af, omdat de Nederlandse militairen, Dutchbat, opereerden in opdracht van de Verenigde Naties. En de VN genieten – begrijpelijk – immuniteit.

Voor de goede orde: de daders van de moordpartijen zijn Bosnische Serviërs en de hoofdverdachte, generaal Ratko Mladic, brengt zijn dagen sinds kort door in een Scheveningse cel. Maar het hof oordeelt dat de Nederlandse Staat in deze drie gevallen de moord had kunnen voorkomen.

Nu de Staat aansprakelijk is gesteld, is de vraag aan de orde of deelname van Nederland aan toekomstige VN-missies nu als juridisch te riskant zal worden beschouwd. Van belang is wel te beseffen dat de arresten van het hof betrekking hebben op de zeer specifieke omstandigheden in juli 1995 in Srebrenica.

Het hof meent, anders dan de rechtbank, dat de Staat zich niet achter de VN kan verschuilen, omdat Nederland op zijn minst nauw betrokken was bij besluiten over de evacuatie van de Bosnische moslims, van wie er later 7.000 à 8.000 zijn vermoord. En zeker bezat de Nederlandse Staat, in de personen van de militaire leiding ter plekke, effective control, zoals het in de arresten wordt genoemd, over de situatie op de compound waar Dutchbat verbleef. Het was een Nederlands besluit om Nuhanovic, broer van tolk Hassan, en Mustafic, die er als elektricien werkzaam was, van de compound weg te sturen. Op een moment dat de militaire leiding al wist dat deze mannen daarmee groot gevaar zouden lopen. Terwijl toenmalig minister van Defensie Joris Voorhoeve (destijds VVD), had geïnstrueerd: „Red wat er te redden valt.”

Aan de juridische procedures rond Srebrenica is nog lang geen einde. Maar los van formele aansprakelijkheid had de Nederlandse regering haar morele en politieke verantwoordelijkheid al veel eerder moeten nemen. Excuses aan de nabestaanden van deze vermoorde mannen waren en zijn zeer op hun plaats, en zijn waarschijnlijk van grotere waarde dan de schadeclaim die de Staat nu zal moeten betalen.