Moet je het geloven als iemand jou serieus neemt?

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: Waarom hameren op serieus nemen een vorm is van therapeutische politiek.

Hoe serieus neemt Nederland zijn eigen onbehagen?

Héél serieus, als je afgaat op de afwisselend opgewonden en depressieve innerlijke monoloog waarin de natie al sinds 2001 is verwikkeld.

Maar ook: volslagen onserieus. Hoe serieus is bijvoorbeeld de wens van de Tweede Kamer om eenderde van de muziek op Radio 2 verplicht te laten bestaan uit Nederlandstalige muziek? De Kamerleden zelf lijken die nauwelijks ernstig te nemen.

Het vragen om zo’n quotum past wel naadloos bij de politics of identity die in Nederland nu alweer een jaar of tien hoogtij viert: het opeisen van speciale aandacht voor een bevolkingsgroep, louter op grond van ‘identiteit’. Vroeger gebeurde dat door minderheden die zich achtergesteld voelden bij de rest (vrouwen, zwarten). Dat gold destijds als heel erg links.

Tegenwoordig is het juist de meerderheid die zijn rechten opeist op grond van een Nederlandse identiteit. En zijn het vooral rechtse partijen die de emancipatie van de beknelde meerderheid bevestigd willen zien met quota. Het gaat erom, zeggen zij, hun zorgen ‘serieus te nemen’.

Die frase is de mantra geworden van de Nederlandse politiek. De wens om het volk (‘eindelijk weer’) serieus te nemen leeft niet alleen in de politiek – van rechts tot links – maar ook bij tal van columnisten en publicisten. Serieus, het ‘gevoel van verlies’ dat Nederland beheerst moet, ja, serieus worden genomen.

Maar wat betekent dat eigenlijk, ‘serieus nemen´?

Taalfilosofisch zou je kunnen zeggen: serieus nemen hoort bij de spelregels van normale, geslaagde communicatie. De Britse taalfilosoof Paul Grice (1913-1988) heeft conversationele ‘maximen’ geformuleerd, die voor zulke communicatie cruciaal zijn: zeg geen dingen waarvan je weet dat ze niet waar zijn, of waarvoor je te weinig bewijs hebt. Maar ook: vermijd obscure taal en wees duidelijk. Serieus nemen van anderen zou dan in elk geval ook aan die criteria moeten voldoen.

Daaruit blijkt trouwens al, dat ‘serieus nemen’ niet hetzelfde is als ‘gelijk geven’. Een gesprek begint met serieus nemen, en eindigt met gelijk geven – of niet. Je kunt heel goed een klacht serieus nemen en vervolgens afwijzen als ongegrond.

Bij de rechter ervaren mensen dat dagelijks: serieus genomen, maar geen gelijk gekregen. Zie de tevredenheid waarmee klagers (in het gelijknamige tv-programma) vertrekken bij De rijdende rechter, al hebben ze vaak keihard ongelijk gekregen – een uitkomst waar Bas Heijne vaker op heeft gewezen.

Sterker, een klager of gesprekspartner meteen gelijk geven wijst er, ook in normale gesprekken, eerder op dat je hem juist niet serieus neemt – je ontwijkt immers discussie die iedereen verder kan helpen – of dat je helemaal niet naar hem hebt geluisterd.

Een andere taalfilosoof, J.L. Austin, maakt in How to Do Things with Words een subtiel onderscheid tussen allerlei ‘taaldaden’, zoals ‘beloven’, ‘zweren’ , ‘verontschuldigen’ en ‘bekritiseren’. Maar als Grice gelijk heeft en ‘serieus nemen’ een belangrijk uitgangspunt is voor geslaagde communicatie, dan zou de expliciete uitspraak ‘ik neem jou serieus’ een curieuze taaldaad zijn. Want neem je me dan niet serieus als je het er niet bij zegt? De uitspraak is dus ofwel leeg (omdat je er normaal gesproken al van mag uitgaan dat iemand je serieus neemt, zeker politici) ofwel contraproductief (omdat het een vals licht werpt op de rest van je beweringen, waarbij je dit er niet bij zegt).

Toch blijven politici en publicisten maar zeggen dat klachten van burgers serieus genomen moeten worden, of dat zij die in elk geval zelf serieus zullen nemen. Dat is in het paarse, of linkse, verleden namelijk veel te lang niet gebeurd. Er werd toen, heel arrogant, jarenlang niet naar de mensen geluisterd.

Zo bezien is het hameren op ‘serieus nemen’ vooral een vorm van therapeutische politiek. Telkens opnieuw wordt een pleister geplakt op de wond die eerdere, van het volk vervreemde politici in het nationale gemoed hebben geslagen.

CDA-leider Maxime Verhagen formuleerde het onlangs zo: „Het onbehagen [over de multiculturele samenleving] moet ook het onbehagen zijn van een volkspartij als het CDA. Anders laten we de mensen over aan populistische partijen die dit onbehagen wel benoemen, en daarvoor worden beloond met de ene verkiezingsoverwinning na de andere. Een groot deel van de mensen die PVV stemden, zijn onze mensen. Met hun zorgen.”

Verhagen zegt hier eigenlijk twee dingen. Hij definieert het CDA als een partij die zich per definitie identificeert met het onbehagen van de bevolking. Het CDA is immers een ‘volkspartij’ en hun zorgen zijn onze zorgen. Maar in de zin erna, die begint met ‘anders’, komt hij met een nieuw, eerder pragmatisch argument: het CDA moet ook wel, want als het dat onbehagen niet serieus neemt, lopen de kiezers weg.

Hij somt dan allerlei kwesties op: „Blijft Nederland nog wel Nederland als er zoveel buitenlanders bij komen? [...] Waarom passen de nieuwkomers zich niet aan ons aan? [...] En zit die buitenlandse ziekte nu ook in onze groente of in ons vlees?” Maar antwoorden blijven uit. De strekking van zijn betoog lijkt dus vooral: we moeten deze vragen serieus nemen.

Maar hoe serieus neem je vragen, als je ze niet probeert te beantwoorden? Met alle risico’s van dien.

Je hoort een politicus niet vaak zeggen: goed, we hebben het onbehagen onderzocht, maar vinden het op dit punt toch een tikje overdreven. Of, nog erger: we zijn tot de conclusie gekomen dat de klagers zich hier helaas vergissen. In plaats daarvan blijft weerklinken dat de zorgen nu toch echt serieus moeten worden genomen en niet mogen worden ‘weggewuifd’ of ‘afgedaan’.

Een geijkt voorbeeld is het onbehagen over immigratie en de multiculturele samenleving. Dat er sprake is van een ‘mislukking’ wordt inmiddels door bijna niemand meer betwist, ook al trekken onderzoeksrapporten , zoals dat van de commissie-Blok uit 2004, aanmerkelijk genuanceerdere conclusies.

Stilzwijgend is een nieuwe consensus over het land neergedaald. Iets dergelijks doet zich voor bij de zorgen om criminaliteit. De gestaag dalende criminaliteitscijfers moeten hopeloos opboksen tegen de schrikbarende gevallen in Opsporing verzocht. Een minister die zegt dat het wel een tandje minder kan met de politie, zou vermoedelijk politieke zelfmoord plegen.

Het onbehagen lijkt zo vooral serieus genomen te worden door het te bevestigen. De taaldaad ‘ik neem je serieus’ is dan geen antwoord, maar een, al dan niet therapeutisch, substituut voor een antwoord.

Dat zou ook kunnen helpen verklaren waarom zo veel politieke turbulentie, met name over islam en integratie, bestaat uit symboolpolitiek – en waarom dat niettemin zo weinig als een probleem wordt ervaren. Het electoraat van de PVV lijkt het de partij tenminste niet kwalijk te nemen dat er nog steeds geen verbod op de Koran gekomen is, of dat het leger niet echt is ingezet in Gouda.

Oppositiepolitici die zulke vormen van wensdenken afdoen als ‘symboolpolitiek’ nemen ze van de weeromstuit té serieus. Alsof ook maar één kiezer van die kritiek onder de indruk zou zijn („Oh, het was maar symboolpolitiek? Tja, in dat geval zal ik er nog eens goed over nadenken...”)

Dat is de crux van het therapeutische ‘serieus nemen’: het gaat misschien wel eerder om de woorden, dan om de daden. Kán dat helemaal niet zomaar, de Koran verbieden? Maakt niet uit. Het is toch maar mooi gezegd. Ook al is het niet serieus genomen – ook niet door degenen die het voorstelden.