Koolstoffilter

Een winkel voor keukenbenodigdheden bezoek ik niet dagelijks, zelfs niet jaarlijks, en ook daarom besloot ik mij er alleen binnen te wagen onder begeleiding van mijn vrouw.

We hadden voor de afzuigkap in onze keuken een nieuwe koolstoffilter nodig. Zo’n filter is gewenst als er geen mogelijkheid is om de kooklucht naar buiten af te voeren. De filter zuivert de lucht die vervolgens weer de keuken wordt ingeblazen. Na verloop van tijd raakt de filter verzadigd en moet hij vervangen worden.

Tot zover is alles duidelijk, hoop ik. Niet dat ik zelf begrijp hoe zoiets precies werkt, maar daarvoor heb ik mijn adviseurs, van wie mijn vrouw niet de minste is.

De winkel lag aan de rand van de stad, wat hem tot een interessant reisdoel van onze wandeling maakte: je loopt niet zomaar wat te lopen, je doet het ook ergens voor. Al meteen bij het binnengaan merkte ik dat het een winkel met een prettige sfeer moest zijn, want aan de muur hing een oproep voor winkelassistenten die wilden werken „in een uitnodigende en vertrouwde omgeving”.

Het bleek een groot, loodsachtig gebouw te zijn waar we pas na de nodige navraag tot de gewenste afdeling konden doordringen. Daar kwam een man van een jaar of vijftig in een keurig grijs pak langzaam op ons afgelopen. Hij bleef op een meter of vijf afwachtend staan en nam ons wantrouwig van hoofd tot voeten op. Hij was niet onder de indruk van ons, dat was duidelijk. Kwam het door onze wandelkleding? Mijn pet misschien?

Mijn vrouw deed enkele passen in zijn richting en haalde de oude koolstoffilter uit haar rugzak. Terwijl ze haar verhaal deed, ontglipte de filter haar. Hij kletterde op de grond, vlak voor de voeten van de man. Die verroerde zich niet. Nog voor mijn vrouw zich moest bukken om de filter zelf op te rapen, kwam ik haar, attent als ik bijna altijd ben, te hulp.

De man keek ons onbewogen aan. Hij had genoeg van deze suckers met hun filtertje, hij wilde weer eens aan het werk, er moest ook nog geld verdiend worden. Hij vroeg ons van welk merk onze afzuiginstallatie was. Wisten wij dat niet? Godallemachtig, de klanten wisten ook niks meer tegenwoordig. Zijn bedrijf verkocht zoveel verschillende merken afzuiginstallaties, hoe kon hij nou weten welk merk wij hadden? Hij droeg ons op het thuis na te kijken en hem per mail het typenummer op te geven. Dan hoorden we nog wel van hem. Hij draaide zich om.

Even later kwamen we hem weer tegen toen we elders in de winkel stonden. „U weet toch dat die filters kankerverwekkend zijn als u ze niet tijdig vervangt?” vroeg hij streng.

Wij schudden van nee. Hij haalde zijn schouders op. Idioten. Wat kwamen ze in je winkel doen?

„Hoe vaak heeft u ze vervangen?” vroeg hij.

Mijn vrouw aarzelde bedenkelijk lang. „Eens in de twee jaar, zoiets…”

„Zoiets”, herhaalde hij. Het was opmerkelijk hoeveel minachting je in zo’n simpel woordje kon leggen. „U moet die dingen eens in de drie maanden vervangen.” En hij maakte zich weer uit de voeten, ons nu in doodsnood achterlatend.

Buiten vroeg ik mijn vrouw: „Hoe lang hebben we die installatie al?”

„Dertien jaar”, zei ze benauwd, „en ik denk dat we die filter nog maar vier keer hebben vervangen. Maar dat wilde ik die kerel niet aan zijn neus hangen. Dat gunde ik hem niet.”

Vier keer! Ik had, zoals ik laatst schreef, nog een poos met deze rubriek willen doorgaan, maar ik weet niet of mijn longen dat redden.