In het Nafusah-gebergte klinkt weer de Berberse taal

De opstand tegen de Libische leider Gaddafi heeft ook gezorgd voor een renaissance van de Berber-cultuur. ‘Wij zijn wel de oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika.’

Hij heet Bunduq Assim Bunduq maar hier, hoog in het Libische Nafusah-gebergte, noemt iedereen hem ‘Che’. Dat is omwille van zijn onafscheidelijke rode baret maar ook wel een beetje omdat hij een bekende Amazigh-muzikant is die zijn gitaar heeft ingeruild voor een kalasjnikov. De 26-jarige Bunduq belichaamt de romantische rebel, die het liefst over zijn cultuur zingt maar ze indien nodig ook met de wapens verdedigt.

Bij het begin van de Libische opstand hielp Bunduq zijn geboortestad Zuwara verdedigen, aan de kust nabij de grens met Tunesië. Zuwara is na de Nafusah-bergen het belangrijkste gebied in Libië waar de Amazigh-minderheid, de Berbers, woont. Toen de troepen van de Libische leider Moammar Gaddafi de opstand in Zuwara onderdrukten, vluchtte Bunduq met drie vrienden in een bootje naar Tunesië. Zijn negen gitaren moest hij achterlaten. Nu volgt hij een militaire training in Jadu, de de facto-hoofdstad van de opstandelingen in de Nafusah-bergen.

Motieven om Gaddafi te haten heeft Bunduq genoeg. Omdat hij zingt in het Tamazight, de taal van de Berbers, was hij een doelwit van het regime. „In 2008 was ik uitgenodigd voor een Berbers muziekfestival in Tanger. De veiligheidsdiensten van Gaddafi waren daarachter gekomen, en ze zijn mij thuis komen opzoeken. Ik kreeg een reisverbod en ze zeiden dat ik maar beter kon ophouden met muziek maken of ik zou problemen krijgen.”

Daarmee trad Bunduq in de voetsporen van bekende Amazigh-zangers als Abdullah Ahahchine, Adel Hafiana en Sami Hajkil, die in 2000 drie maanden in de gevangenis zaten omdat ze een cassette hadden uitgebracht met Amazigh-muziek.

„Amazigh zijn betekent alles voor mij”, zegt Bunduq. „Tevoren, als ik op straat met vrienden Tamazight praatte, was er altijd wel iemand die zei: ‘Heb een beetje respect voor jezelf en praat Arabisch zoals iedereen.’ Maar wij zijn wel de oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika.”

Hij haatte alle Arabieren. Nu de Berber-opstandelingen samen met de Arabieren tegen Gaddafi’s troepen vechten, en hij een slaapzaal deelt met Arabische rekruten uit Zintan, Zawiya en Tripoli, is dat allemaal veranderd. „Ik besef nu dat het Gaddafi was die ons tegen elkaar heeft opgezet. Deze opstand heeft ons doen inzien dat we allemaal broeders zijn.”

Hier in de bergen heeft de opstand tegen Gaddafi ook gezorgd voor een renaissance van de Amazigh-cultuur. Op een betoging in Jadu werd behalve met de vlag van het koninkrijk Libië, die door de opstandelingen is geadopteerd als de vlag van het Vrije Libië, ook gezwaaid met de vlag van het Amazigh-wereldcongres. De honderden kinderen die in de betoging meeliepen, droegen borden waarop de erkenning van het Tamazight als officiële taal in Libië werd geëist. Er is een radiozender opgericht in Jadu die nu nog alleen Amazigh-muziek uitzendt maar die vanaf zaterdag ook nieuws in het Tamazight gaat brengen.

Jadu, een aangenaam stadje temidden van glooiende heuvels met boomgaarden met een adembenemend zicht op de vallei – en Gaddafi’s troepen – is momenteel de enige plek op de berg met een burgerbevolking. Vier weken geleden daalden de rebellen hier met gedoofde lichten en motoren naar de vallei af, waar ze Gaddafi’s troepen verdreven die Jadu met Grad-raketten bestookten. Nu Jadu net buiten Grad-bereik ligt, zijn veel mensen hierheen teruggekeerd uit de kampen in Tunesië en uit Tripoli. Genoeg om een schooltje te beginnen waar voor het eerst sinds decennia weer het Tamazight wordt onderwezen.

Mira Dugha is 15 jaar maar zij is de lerares in het Tamazight-schooltje in het oude centrum van Jadu. „Er zijn niet zoveel mensen die Tamazight kunnen schrijven”, zegt ze. „Ik heb het op eigen houtje geleerd via internet.” Onder Gaddafi was Tamazight spreken op school streng verboden, en schrijven helemaal. Het is niet dat kinderen in de gevangenis belandden als ze op Tamazight werden betrapt, „maar je ouders konden er problemen door krijgen”, zegt Dugha.

Onder de bomen op het pleintje voor de school, naast het nieuwe museumpje gewijd aan Sulaiman al-Barouni, de Berber-verzetsleider die samen met Omar Mukhtar, de held van de rebellen in het oosten, tegen de Italianen vocht, zit Yusuf Ali Hafiana, 61. Hij zat onder Gaddafi acht jaar lang in de gevangenis.

„Ik ben in 1980 samen met tientallen andere Amazigh-activisten gearresteerd”, zegt Hafiana. „De reden was dat ik naar Algerije was gereisd om daar met andere Berber-activisten te praten. We brachten boeken en muziekcassettes mee die we op de berg hebben verspreid.”

Hafiana kreeg levenslang; de aanklacht was ‘Berber-activisme’. In 1988 kreeg hij gratie in het kader van een algemene maatregel die de bevolking gunstig moest stemmen toen Libië een impopulaire oorlog uitvocht in buurland Tsjaad.

Hafiana heeft vertrouwen in de toekomst van de Amazigh, ook al staat in de voorlopige grondwet die in de rebellenhoofdstad Benghazi is goedgekeurd, dat het Arabisch de officiële taal wordt van het nieuwe Libië. „Daarom hebben we mensen naar Benghazi gestuurd om ons standpunt duidelijk te maken”, zegt hij. „Sommigen zeggen: hou nu toch op over dat Amazigh-gedoe; we zijn allemaal Libiërs nu. Maar dat is een minderheid; de meesten hebben wel respect voor onze taal en cultuur.”

Bunduq heeft in Tunesië een nieuwe gitaar gekocht. Af en toe geeft hij toe als mensen hem vragen om een optreden op het Vrijheidsplein in Jadu. „Maar eerlijk gezegd: mijn hoofd staat niet naar muziek op dit ogenblik.” Pas wanneer Gaddafi is verdreven zal Bunduq zijn kalasjnikov opnieuw inruilen voor een gitaar. „Ik hou niet van vechten”, zegt hij, „maar ik hou van het feit dat ik vecht voor mijn land en mijn cultuur”.