Hamas en Fatah in één elftal

De FIFA erkent Palestina als een van de weinige instanties. Voor de acht voetballers in het nationale elftal die uit Gaza komen, is uitreizen voor interlands bijna onmogelijk.

Palestinians watch their national soccer team play against Afghanistan national team in the West bank city of Ramallah, Sunday July 3, 2011. The Palestinian national soccer team drew 1-1 against Afghanistan on Sunday, a score that advances the Palestinians to the next qualifying round for the World Cup set for 2014 in Brazil. (AP Photo/Nasser Shiyoukhi) AP

De spelers komen uit Chili, Zweden, Frankrijk, de Verenigde Staten, de bezette Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Oost-Jeruzalem. Er zitten moslims en christenen bij. Er zijn aanhangers van de islamitische beweging Hamas, aan de macht in Gaza, en van Fatah, dat de Westelijke Jordaanoever regeert. „Maar als ze onder mijn hoede staan, is het uit met de verdeeldheid”, zegt bondscoach Moussa Bezaz streng. „Ik accepteer geen discussies over politiek, hooguit over het spelsysteem. Voetballen, jongens, zeg ik dan.”

De Franse Algerijn Moussa Bezaz is in 2009 aangesteld als bondscoach van het Palestijnse nationale elftal. Van de flamboyante Fatah-leider en voetbalsponsor Jibril Rajoub heeft hij de opdracht gekregen het team zo dicht mogelijk bij het WK voetbal van 2014 te brengen. „Daarvoor wist ik niet eens dat dit team bestond”, zegt de voormalige verdediger van Sochaux in een restaurant van een hotel in Ramallah.

Terwijl hij zijn rijst met kip eet, zegt Bezaz dat zijn werk vooral bestaat uit het oplossen van de ontelbare praktische problemen die hij heeft om zijn elftal bij elkaar te krijgen. Hij heeft zojuist met zijn spelers getraind. Althans: de spelers die erin geslaagd zijn de Westelijke Jordaanoever te bereiken. „Het is heel moeilijk toestemming te krijgen om een speler uit de Gazastrook naar Ramallah te halen. Soms krijgen we toestemming van Israël, soms niet. Daarbij: hoe weet ik dat die speler goed is? Ik kom Gaza niet binnen.”

Het Palestijnse elftal speelt die zondag voor het eerst in de geschiedenis een officiële thuiswedstrijd. In het Faisal Husseini Stadion in Al-Ram, een door de Israëlische Muur geïsoleerd dorp tussen Ramallah en Oost-Jeruzalem, nemen de Palestijnen het in een WK-kwalificatiewedstrijd op tegen Afghanistan. De winnaar plaatst zich voor een play-off tegen Thailand. De 1-1 is voldoende voor de Palestijnen, die uit al met 2-0 hadden gewonnen. „De spelers zijn moe van het reizen”, zegt Bezaz na afloop. „Het was geen goede wedstrijd.” De uitwedstrijd moest vijf dagen geleden in Tadzjikistan worden gespeeld, het werd een reis van ruim 24 uur. De ruim tienduizend supporters steken vlaggen uit de auto’s en dansen op straat. Het vertoonde spel zal hun een zorg zijn.

De wereldvoetbalbond FIFA is een van de weinige internationale instanties die Palestina al erkent. In september wil de PLO de Verenigde Naties eenzijdig een Palestijnse staat uitroepen, en de Verenigde Naties om erkenning vragen. Op het voetbalveld is het al zo ver. De vlag wordt gehesen, er wordt een volkslied gespeeld, en premier Salam Fayyad kijkt toe op de eretribune.

Jibril Rajoub, Fatah-leider en voorzitter van de voetbalbond, heeft een groot portret van zichzelf in het stadion laten ophangen. Rajoub zat jaren in een Israëlische cel, omdat hij in 1970 een granaat had gegooid naar het Israëlische leger. Toen hij vrijkwam, zette hij zich in voor het Palestijnse voetbal. „De wereld kan vandaag zien dat we al een staat zijn, of we nu internationale erkenning krijgen of niet. Sport is het sterkste nationale symbool dat we hebben.”

Bezaz heeft een ploeg onder zijn hoede met allerlei verschillende nationaliteiten. De spelers uit Oost-Jeruzalem hebben niet eens een paspoort, maar alleen een speciale identiteitskaart. Net als de spelers uit Gaza en de Westelijke Jordaanoever zijn ze in feite statenloos. Bezaz heeft voor de wedstrijd tegen Afghanistan een speler uit Chili opgeroepen, waar Palestijnse migranten een succesvolle eigen profclub hebben, Palestino. De twee meter lange verdediger Omar Jarun, een Amerikaanse Palestijn die ooit vluchtte uit Koeweit, ziet vandaag de Westelijke Jordaanoever voor het eerst. Op de verkruimelde Westelijke Jordaanoever, enclaves met Palestijnse zelfbestuur waartussen het moeilijk reizen is, wordt de nationale competitie regelmatig afgelast omdat het bezoekende team niet op tijd arriveert. Uitreisvisa vanuit Gaza voor interlands zijn nog moeilijker te regelen. Bezaz: „We moeten visa krijgen, toestemming om in- en uit te gaan. Het is vrijwel onmogelijk. De acht spelers in onze selectie die uit Gaza komen, spelen permanent hier. Ze kunnen niet meer terug.”

Reservekeeper Assim Abu Assi (28) is een van hen. Zijn vrouw en zoontje wonen in Gaza-stad. Hij verliet het geïsoleerde gebied toen hij in 2008 een profcontract kon verdienen in Oost-Jeruzalem. Hij keept voor Jabel Mukaber, de kampioen van vorig jaar. „In Gaza bestaat er eigenlijk geen competitie meer. Er was geen toekomst voor mij, dus toen ik toestemming kreeg om te gaan, heb ik afscheid genomen van mijn gezin.”

Abu Assi zit in een café in het centrum van Ramallah. De dagen dat hij niet speelt, zijn lang, zegt hij. Uitgaan mag hij niet, vrienden maakt hij alleen bij zijn club. Hij doodt de tijd door op YouTube filmpjes van beroemde keepers te bekijken. ”Ik denk dat veel spelers uit het nationale team in Europese competities kunnen spelen. Ze zijn sterk, ze hebben tactisch inzicht. Maar omdat de competitie hier steeds stil ligt, krijgen we de kans niet echt te groeien. We moeten de ploeg elke keer vanaf de grond opnieuw opbouwen.”

Abu Assi voelt zich trots, zegt hij, als hij mag spelen voor Palestina. Een „soldaat voor het Palestijnse volk”, noemt hij zichzelf. „Als de spelersbus vertrekt en we passeren de Israëlische controleposten, dan krijg ik een machtig gevoel.” Als hij opstaat om weer te gaan trainen, klinkt hij minder strijdbaar. „Ik denk wel eens: ik betaal een te hoge prijs voor het voetbal. Ik kan de hele dag wel in mijn telefoon naar de foto’s van mijn zoontje kijken. Als ik in het doel sta, vraag ik me af hoe het met hem gaat en wat hij al kan.”