Gehuld in sportoutfit op congres

Marcel van Roosmalen bezoekt het wereldcongres fysiotherapie.

Veel fysiotherapeuten eindigen uiteindelijk bij de fysiotherapeut.

The World Physical Therapy, het vierjaarlijkse wetenschappelijke wereldcongres fysiotherapie, deed Nederland aan. Er kwamen vijfduizend fysiotherapeuten op af. Prinses Margriet was uitgenodigd voor de officiële openingsceremonie. Dat deed ze in 1970, toen The World Physical Therapy ook in Amsterdam was, ook al. Er was in de tussentijd veel gebeurd in de wereld, alleen de jurk van de prinses was hetzelfde gebleven.

De dagen erop was het in de RAI een komen en gaan van fysiotherapeuten, een over het algemeen niet-rokend volkje, dat zich vaak gehuld in trainingspak – waarom? – van seminar naar workshop haastte. Wat opviel was de enorme hoeveelheid vrijwilligers, studenten uit allerlei landen, die je dolgraag wilden helpen met van alles, maar voor een enorme bureaucratie zorgden. Het ophalen van de verplichte persbadge, een geplastificeerde kaart die je met een wit lint van sponsor Elsevier om de nek moest hangen, vergde anderhalf uur. Een meisje uit Bangladesh, dat later dolgraag mensen wilde helpen die door vergiftiging een handicap hadden opgelopen, gaf een schema van spreekbeurten en seminars dat zo uitgebreid was dat ik er niets van snapte.

Ze raadde me aan om buiten, in ‘the city center’, een kop koffie te drinken en ze wees me vrolijk waar dat was, ergens achter de ringweg. Ze kon het Van Gogh-museum adviseren, een museum met schilderijen en een goede espressobar.

Voor de RAI, met het boekwerk van de organisatie op schoot, besloot ik geen van de workshops bij te wonen. Dat was voor niemand leuk, ik snapte er toch niets van. Ik at een door de organisatie verstrekte groene appel en begon een praatje met een fysiotherapeut uit Leiden die vol toekomstperspectief uit een meeting met de titel ‘How physical therapy projects can bring long-term sustainable benefits in conflict zones and disaster areas’ was gekomen. Er waren sprekers geweest uit onder andere Haïti, een land dat natuurlijk vreselijk was getroffen, en Afghanistan, de toestand daar vatte ze samen met de opmerking „dat hoef ik u verder niet uit te leggen”.

Er stond geen huis meer overeind, mensen woonden er in grotten, zoiets leidde sowieso tot stramme spieren, maar er waren daar ergere problemen: „mensen zonder ledematen”.

Ik vroeg waarom ze een trainingspak droeg, dat leek me relevant. Het leidde tot een discussie over ‘het vak’, het was uitermate pijnlijk dat een buitenstaander dacht dat een fysiotherapeut een veredelde masseur was. Fysiotherapie bestond al eeuwen, het was een wetenschap. Ze begon aan een lange monoloog en hapte al pratend met haar gave gebit op mechanische wijze hele brokken uit de appel. „Een fysiotherapeut adviseert, begeleidt of behandelt bij stoornissen in houding of beweging. Dat kan zijn bij blessures van spieren, pezen, banden en gewrichten, maar we kunnen ook gevolgen van functiestoornissen aan het zenuwstelsel, bloedvaten, hart en huid behandelen.”

De vraag waarom die adviezen in trainingspak moesten worden gedaan, bleef wat mij betreft onbeantwoord.

„Dat is niet relevant, ik voel me er lekker in.”

Ze was een paar jaar bezig in een praktijk, maar haar handen jeukten om naar een rampgebied af te reizen, hoewel ze vreesde voor „confronterende toestanden”. „Wij zijn hier gewend om te werken met apparatuur waar ze in Haïti en Afghanistan hun vingers bij aflikken.”

Als het aan haar lag, nam ze apparatuur mee.

Ze verwees me naar een of andere hal van de RAI, waar de vloer vol stond met behandeltafels, behandelstoelen, behandelbedden en stellages. Ik stond er lange tijd stil bij een stoel, waarvan ik me afvroeg hoe een patiënt er in godsnaam in moest kruipen en wat de functie was.

„Bij veel fysiotherapeuten schiet het in de rug”, zei de heer Mandemakers, de handelaar in therapeutische apparatuur die bij de stoel hoorde. „Het is schrijnend om te zien hoeveel fysiotherapeuten uiteindelijk bij de fysiotherapeut eindigen.”

Hij adviseerde een goede werkhouding, het leek me in dit gezelschap water naar de zee dragen.

„Voor de therapeut is deze stoel ideaal”, zei hij. „Hij hoeft niet te bukken, hij kan overal bij.”

Even later zag ik een dikke Japanse fysiotherapeut in paardrijzit in de stoel zitten, hij moest door drie collega’s worden verwijderd. Er waren ook apparaten waarbij de benen met linten omhoog konden worden getakeld, een pijnlijk proces dat een demonstratrice in joggingbroek telkens weer met een glimlach op de lippen onderging. Een apparaat dus wat we voorlopig nog maar niet naar Afghanistan moesten brengen.